Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De procedure
- de mondelinge behandeling.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser verhuurde een kamer aan rechthebbende voor de periode van een jaar, met een huurprijs van €700 per maand. De huurovereenkomst eindigde op 21 maart 2023, tijdig aangezegd door eiser aan rechthebbende en de bewindvoerder die het beheer voert over rechthebbende's vermogen. Ondanks het einde van de huurovereenkomst bleef rechthebbende zonder recht of titel in de woonruimte verblijven en betaalde niet de volledige huur.
Eiser stelde dat er sprake was van structurele wanbetaling en agressief gedrag van rechthebbende, wat ook het gebruik van het pand door eiser belemmerde. Bewindvoerder verscheen niet in de procedure, waardoor verstek werd verleend. De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser een spoedeisend belang had en dat de vordering in een bodemprocedure kans van slagen had.
De ontruiming werd toegewezen met een termijn van 7 dagen na betekening van het vonnis. Daarnaast werd bewindvoerder veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur en een gebruiksvergoeding van €700 per maand voor de periode na mei 2023 totdat ontruiming plaatsvindt. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Bewindvoerder werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Bewindvoerder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen 7 dagen en betaling van achterstallige huur en gebruiksvergoeding.