De zaak betreft verzoeken van de Gecertificeerde Instelling (GI) tot machtiging en verlenging van uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2016, wegens zorgen over het alcoholgebruik van de moeder en de sociaal-emotionele veiligheid van het kind.
Eerder was de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing al verlengd, en het kind woonde sinds oktober 2022 weer bij de moeder. Na nieuwe incidenten, waaronder huiselijk geweld en overmatig alcoholgebruik door de moeder in aanwezigheid van de minderjarige, heeft de GI spoedverzoeken ingediend. De kinderrechter verleende op 25 april 2023 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 mei 2023 werd vastgesteld dat de veiligheid van de minderjarige bij de moeder onvoldoende is gewaarborgd. De kinderrechter verlengde daarom de machtiging tot uithuisplaatsing in een neutraal pleeggezin tot 2 november 2023 en wees het verzoek tot plaatsing in een jeugdhulpaccommodatie af. Plaatsing bij de vader werd niet toegestaan vanwege de moeizame ouderrelatie en zorgen over diens situatie.
De GI zal zich inzetten voor terugplaatsing bij de moeder, mits zij structureel een veilige opvoedsituatie kan bieden. Het verzoek tot uithuisplaatsing van 17 april 2023 werd afgewezen als achterhaald. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.