ECLI:NL:RBZWB:2023:344

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2023
Publicatiedatum
23 januari 2023
Zaaknummer
BRE 21/3189
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wet MrbArt. 67c Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 27h lid 3 AWRArt. 28 lid 7 AWRArt. 35 lid 2 Wet Mrb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en matiging verzuimboete wegens gebruik tijdens schorsing

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode 25 juni 2020 tot en met 1 maart 2021, omdat met zijn auto tijdens de schorsing op 9 december 2020 gebruik van de openbare weg was gemaakt. Tevens werd een verzuimboete van gelijke hoogte opgelegd. Belanghebbende voerde aan dat het gebruik tijdens schorsing plaatsvond door bijzondere omstandigheden rondom zijn terugkeer uit uitzending en persoonlijke familieomstandigheden.

De inspecteur handhaafde de naheffingsaanslag en boete, maar matigde de boete ter zitting tot € 600. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag conform de wet was vastgesteld en niet lager kon worden vastgesteld, omdat de auto gedurende de gehele periode op naam van belanghebbende stond.

De rechtbank erkende de bijzondere persoonlijke omstandigheden en matigde daarom de verzuimboete verder tot € 50. Het beroep werd daarmee deels gegrond verklaard. Daarnaast werd het griffierecht aan belanghebbende vergoed, terwijl proceskosten niet werden toegekend.

Uitkomst: De rechtbank matigt de verzuimboete tot € 50 en verklaart het beroep deels gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/3189
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [woonplaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 juni 2021.
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 2 maart 2020 tot en met 1 maart 2021 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting (mrb) opgelegd ten bedrage van € 973 (de naheffingsaanslag), alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 973 (de verzuimboete).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag en de verzuimboete gehandhaafd.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
1.6.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is volgens de kentekenregistratie vanaf 2 maart 2018 houder van een personenauto met het kenteken [kentekennummer] (de auto). De datum van het kentekenbewijs deel 1A is 2 maart 2018. De datum eerste toelating is 16 september 2013.
2.2.
Op 9 december 2020 is via camerabeelden op de N630 (Goirle-Poppel) geconstateerd dat met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg.
2.3.
De auto stond ten tijde van de constatering geregistreerd als geschorst vanaf 26 juni 2020 tot en met 25 juni 2021. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur op 11 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld een naheffingsaanslag mrb en een verzuimboete op te gaan leggen. Daarnaast is medegedeeld dat bij de berekening van de naheffingsaanslag rekening is gehouden met de betaalde mrb in het tijdvak van de naheffing.

3.Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3.2.
Belanghebbende heeft het volgende aangevoerd. De auto heeft hij tijdens zijn uitzending naar Afghanistan in het kader van zijn dienstverband als militair bij de garagehouder gestald. Dat is eerder gebeurd en dan hief zijn inmiddels ex-echtgenote of de garagehouder de schorsing op enig moment op. Belanghebbende ontkent niet dat tijdens schorsing van het kenteken met de auto van de openbare weg gebruik is gemaakt. Dat is gebeurd maar door bijzondere omstandigheden in de periode rondom de constatering, is belanghebbende vergeten bij zijn terugkomst te controleren of de schorsing was opgeheven, door ofwel zijn toenmalige ex-echtgenote dan wel door de garagehouder. Eenmaal in Nederland aangekomen, kreeg hij in het vliegtuig weer bereik op zijn Nederlandse telefoon en zag toen berichten binnenkomen dat de gezondheid van zijn vader ernstig was verslechterd. Zijn vader lag inmiddels op de intensive care in het ziekenhuis. Kort daarna op 8 december 2020 is zijn vader komen te overlijden. Dat was dezelfde periode waarin de relatie met zijn inmiddels ex-echtgenote niet goed verliep en zij zijn vlak daarna uit elkaar gegaan. Kortgezegd speelde er naast het ‘terugkomen van uitzending’ nog extra persoonlijke zaken die de aandacht vroegen in die periode. Daar zou de inspecteur in het kader van de boete meer rekening mee moeten houden, aldus belanghebbende. Ook over de maanden waarbij de auto op het terrein van de garagehouder heeft gestaan, heeft de inspecteur een boete opgelegd en dat vindt belanghebbende niet terecht.
3.3.
De inspecteur heeft aangevoerd dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag rekening is gehouden met de betaling van mrb over de periode 2 maart 2020 tot en met 25 juni 2020. De naheffingsaanslag is volgens de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag opgelegd. De inspecteur heeft ter zitting aangevoerd dat hij vanwege de omstandigheden waarin belanghebbende toen verkeerde reden ziet om de verzuimboete te matigen tot € 600.
3.4.
De rechtbank overweegt als volgt. De na te heffen mrb wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdsvakken van drie maanden, met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de auto op de weg is geconstateerd. [1] De naheffingsaanslag is berekend over de periode van 25 juni 2020 tot en met 1 maart 2021. Deze periode is gelet op de wettelijke periode van naheffing niet te lang. De mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs voor de berekeningsperiode bestaat uitsluitend in het geval dat de auto een gedeelte van die periode niet op naam heeft gestaan van belanghebbende. Op grond van de Wet Mrb kan in andere gevallen de hoogte van de naheffingsaanslag niet naar beneden worden bijgesteld. Inzake de berekeningsperiode waarover mrb is nageheven, is dus ook niet relevant of een kortere periode dan de berekeningsperiode met de auto van de openbare weg gebruik is gemaakt. [2] De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank het nageheven bedrag aan mrb conform de wet vastgesteld en de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden kunnen niet leiden tot een lagere heffing.
3.5.
De inspecteur heeft, op grond van artikel 37 van Pro de Wet Mrb, in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en met inachtneming van paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst in beginsel dan ook terecht een verzuimboete van 100% opgelegd. Opzet of schuld is in beginsel niet als zodanig vereist. Wel moet een boete achterwege blijven bij afwezigheid van alle schuld, maar niet aannemelijk is geworden dat daarvan sprake is.
3.6.
De inspecteur heeft ter zitting een gematigde verzuimboete van € 600 verdedigd. De rechtbank dient te beoordelen of deze boete passend en geboden is. Belanghebbende heeft erkend dat tijdens de schorsingsperiode met de auto van de openbare weg gebruik is gemaakt. De rechtbank ziet, in de door belanghebbende aangevoerde bijzondere persoonlijke omstandigheden rondom de constatering (zie 3.2), aanleiding de verzuimboete verder te matigen tot € 50.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is gegrond omdat de verzuimboete tot € 50 wordt gematigd. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de verzuimboete.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

5.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ten aanzien van de boete gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de boete;
  • matigt de boete tot € 50;
  • verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.W. Liu, griffier op 20 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Artikel 35, lid 2, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet Mrb).
2.Vgl. Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973.