De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling met betrekking tot zijn minderjarige dochter. De vader wilde onder meer een beschermingsonderzoek gelasten en de zorgregeling aanpassen zodat zijn dochter vaker bij hem zou verblijven. De rechtbank nam daarbij de belangen en wensen van de 17-jarige dochter mee, die via een brief had laten weten geen contact met haar vader te willen vanwege eerdere geweldsincidenten en onveiligheidsgevoelens.
De Raad voor de Kinderbescherming en de zorgaanbieder rapporteerden over een loyaliteitsconflict bij de minderjarige, wat haar belemmert in het opbouwen van contact met haar vader. Ondanks hulpverlening en gesprekken was het niet gelukt om gezamenlijke afspraken te maken die in het belang van het kind zijn. De moeder stond niet in de weg aan contact, maar erkende het veiligheidsgevoel van de dochter.
Partijen hadden een intentieovereenkomst opgesteld over de verdere vormgeving van het gezamenlijk ouderschap, waarin werd afgesproken dat de vader de wens van de dochter respecteert en voorlopig geen contact zal plaatsvinden. De rechtbank hechtte deze overeenkomst aan de beschikking en wees het verzoek tot wijziging af, mede omdat een beschermingsonderzoek geen meerwaarde zou bieden gezien de huidige afspraken.
De rechtbank richtte een persoonlijke overweging aan de minderjarige, waarin zij werd erkend in haar gevoelens en werd gewezen op beschikbare hulpinstanties. De beschikking werd openbaar uitgesproken op 3 januari 2023 door rechter M. Voorn.