Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarbij de inspecteur het huurwaardeforfait baseerde op een hogere WOZ-waarde dan belanghebbende had opgegeven. De inspecteur handhaafde de aanslag en weigerde aftrek van giften en kosten die belanghebbende als loonheffing wilde verrekenen.
De rechtbank oordeelt dat de aanslag te hoog is vastgesteld omdat belanghebbende op grond van opgewekt vertrouwen recht heeft op toepassing van de lagere WOZ-waarde tot 25 juli 2018, de datum waarop de inspecteur dit vertrouwen opzegde. Hierdoor wordt het huurwaardeforfait voor dat deel van het jaar verlaagd, wat leidt tot een vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning.
Verder wijst de rechtbank het beroep op verrekening van loonheffing voor proceskosten en vrijwilligerskosten af wegens onvoldoende onderbouwing. Ook de giftenaftrek wordt geweigerd omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de drempelbedragen zijn overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs en omdat de redelijke termijn niet is overschreden.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de aanslag en belastingrente dienovereenkomstig en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.