Belanghebbende, ondernemer met een eenmanszaak, kreeg navorderingsaanslagen voor de jaren 2009, 2011 en 2012 opgelegd wegens onjuiste aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, inclusief inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Tevens werden vergrijpboetes opgelegd vanwege (voorwaardelijk) opzettelijk onjuiste aangiften. De inspecteur baseerde de aanslagen op een vermogensvergelijking en concrete aanwijzingen zoals contante stortingen op een buitenlandse bankrekening en de aanschaf van een boot.
Belanghebbende verstrekte niet alle gevraagde informatie ondanks een onherroepelijke informatiebeschikking, waardoor omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd werd. De rechtbank oordeelde dat de schatting van het belastbaar inkomen redelijk was en dat de vergrijpboetes terecht waren opgelegd, omdat belanghebbende bewust inkomsten uit het zicht van de Belastingdienst hield.
Wel werd de redelijke termijn voor de behandeling van de boetes overschreden met ruim twee jaar, waardoor de boetes met 20% werden verminderd. De navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen bleven ongewijzigd. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.