ECLI:NL:RBZWB:2023:363
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen ongegrondverklaring bezwaar tegen afwijzing wettelijke dwangsom Participatiewet
Eiser maakte bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda om zijn uitkering op grond van de Participatiewet te wijzigen. Na een primaire beslissing op de ingebrekestelling van eiser, verklaarde het college het bezwaar ongegrond. Eiser stelde het college vervolgens in gebreke vanwege het uitblijven van een tijdige beslissing en verzocht om een wettelijke dwangsom.
De rechtbank beoordeelde of de ingebrekestelling tijdig was ingediend. De beslistermijn liep af op 3 september 2021, terwijl eiser het college pas op 27 december 2021 in gebreke stelde, wat een termijn van zeventien weken betreft. De rechtbank oordeelde dat dit onredelijk laat was, mede omdat eiser in die periode geen contact had gezocht met het college over de vertraging.
De rechtbank verwierp de argumenten van eiser dat de termijn niet onredelijk was en dat jurisprudentie een langere termijn toestond. Ook het beroep op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State slaagde niet. Gezien dit alles was het college niet gehouden een dwangsom toe te kennen. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en hij kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van de wettelijke dwangsom is ongegrond verklaard.