Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 25 mei 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, werkzaam als productiemedewerker, is na een auto-ongeval op 25 juni 2019 arbeidsongeschikt geraakt. Het UWV kende hem per 22 juni 2021 een WIA-uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 66,61%. Eiser maakte bezwaar tegen deze mate van arbeidsongeschiktheid, stellende volledig arbeidsongeschikt te zijn.
De rechtbank baseert haar oordeel op medische rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die uitgebreid onderzoek verrichtten, inclusief dossieronderzoek en gesprekken met behandelaars. Zij concludeerden dat eiser beperkingen heeft, maar niet volledig arbeidsongeschikt is. De rechtbank acht het medisch onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd, en wijst de stelling van eiser dat zijn beperkingen zijn onderschat af.
Verder heeft een arbeidsdeskundige op basis van de vastgestelde beperkingen passende functies geselecteerd, die eiser naar het oordeel van de rechtbank medisch gezien kan verrichten. De berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV is niet betwist en wordt door de rechtbank gevolgd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de vaststelling van 66,61% arbeidsongeschiktheid per 22 juni 2021 en wijst proceskostenvergoeding en griffierecht af. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van 66,61% wordt bevestigd.