Verzoeker stelde beroep in tegen het besluit van het UWV waarin zijn bezwaren tegen besluiten over zijn recht op een ZW-uitkering niet-ontvankelijk werden verklaard. Na een gewijzigde beoordeling handhaafde het UWV het standpunt dat verzoeker per 25 augustus 2020 arbeidsgeschikt was, maar na nadere rapportage en aanvullende beroepsgronden herzag het UWV het besluit op 9 januari 2023. Op grond van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep erkende het UWV het recht van verzoeker op een ZW-uitkering vanaf 25 augustus 2020 en bood het tegemoetkoming door vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Nadat verzoeker het beroep had ingetrokken met het verzoek om veroordeling van het UWV in de proceskosten, oordeelde de rechtbank dat het UWV inderdaad aan verzoeker was tegemoetgekomen. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van € 2.868,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De rechtbank wees erop dat het griffierecht van € 48,- reeds door het UWV werd vergoed, zodat een afzonderlijke veroordeling daarvoor niet nodig was. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande op 30 mei 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.