Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 30 mei 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam 1] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem per 15 februari 2021 geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat zijn arbeidsongeschiktheid volgens het UWV 28,14% bedraagt. De rechtbank heeft het medisch dossier en de rapportages van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) bestudeerd, waarin is vastgesteld dat eiser fysieke en psychische klachten heeft, maar dat deze niet leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid die recht geeft op een WIA-uitkering.
De verzekeringsartsen concludeerden dat de beperkingen van eiser, waaronder klachten aan knie, nek, schouder en psychische klachten, zorgvuldig zijn beoordeeld en dat er geen medische indicatie is voor een urenbeperking of een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 7 juni 2021 een juiste weergave geeft van de belastbaarheid van eiser.
Daarnaast heeft een arbeidsdeskundige vastgesteld dat eiser de werkzaamheden kan verrichten die horen bij de voor hem geselecteerde functies, ondanks zijn matige tot slechte beheersing van de Nederlandse taal. De berekening van de arbeidsongeschiktheid op basis van deze functies leidt tot 28,14%, wat onvoldoende is voor een WIA-uitkering.
Eiser heeft verzocht om een onafhankelijke medische expertise en aangevoerd dat zijn beperkingen onderschat zijn, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om het oordeel van het UWV te wijzigen. Ook de nadien ontstane aandoeningen en het herseninfarct kunnen niet worden meegenomen omdat deze na de datum in geding zijn ontstaan.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding en griffierechtvergoeding af. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 28,14%, onvoldoende voor een WIA-uitkering.