Uitspraak
[gedaagde01] ,
1.De procedure
- de akte van [eiser01] met producties 1 tot en met 17;
- de antwoordakte van [gedaagde01] met producties 1 tot en met 17;
2.De verdere beoordeling
€ 10.203,84. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele bodemzaak vordert eiser betaling van openstaande facturen van gedaagde, een besloten vennootschap. De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis van 25 mei 2022 en behandelt de reactie van partijen op de gestelde tegenvordering en verrekening.
Eiser stelt dat gedaagde geen reconventionele vordering tot verrekening heeft ingesteld en dat artikel 6:136 BW Pro verrekening belemmert omdat de gegrondheid van het verweer niet eenvoudig vast te stellen is. Gedaagde voert aan dat zij onverschuldigd betalingen heeft gedaan op basis van een overeengekomen jaarbedrag en dat meerwerk onterecht in rekening is gebracht.
De rechtbank oordeelt dat slechts een deel van het verrekeningsverweer, namelijk een dubbel gefactureerd bedrag van €1.647,11 inclusief BTW, eenvoudig vast te stellen is en voor verrekening in aanmerking komt. De overige posten zijn onvoldoende concreet en worden op grond van artikel 6:136 BW Pro gepasseerd. Daarnaast kent de rechtbank buitengerechtelijke incassokosten toe en veroordeelt gedaagde tot betaling van in totaal €9.433,77 plus rente en proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €9.433,77 met rente en proceskosten, verrekeningsverweer grotendeels afgewezen.