ECLI:NL:RBZWB:2023:3867
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Peters
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking beroep arbeidsongeschiktheid WIA
Verzoekster stelde beroep in tegen het besluit van het UWV waarin haar arbeidsongeschiktheidspercentage was vastgesteld op 71,94%. Na bezwaar verklaarde het UWV dit ongegrond, waarna verzoekster beroep instelde. Vervolgens trok het UWV het bestreden besluit in en stelde het arbeidsongeschiktheidspercentage vast op 100%, waarop verzoekster haar beroep introk met een verzoek tot proceskostenvergoeding.
De rechtbank beoordeelde het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Verzoekster had tijdens de bezwaarfase geen proceskosten opgevoerd, zodat de beoordeling zich beperkte tot de beroepsfase. De rechtbank oordeelde dat het verzoek kennelijk gegrond was en veroordeelde het UWV tot vergoeding van €837,- voor de beroepsmatige rechtsbijstand.
Verzoekster erkende dat een verzoek om vergoeding van medische kosten berustte op een misverstand en stemde in met de vergoeding van €837,-. De rechtbank wees erop dat het griffierecht van €50,- door het UWV moet worden vergoed op grond van de Awb. De uitspraak werd gedaan door rechter T. Peters en griffier R.J. Wesel op 5 juni 2023.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van €837,- aan proceskosten van verzoekster.