Belanghebbende was in de periode 1 januari 2014 tot en met 11 oktober 2015 houder van een auto met Belgisch kenteken die feitelijk in Nederland werd gebruikt zonder dat motorrijtuigenbelasting (mrb) was betaald. De inspecteur legde een naheffingsaanslag en een verzuimboete op. Belanghebbende voerde aan dat het Unierecht van toepassing is en dat hij niet feitelijk beschikkingsmacht had over de auto, omdat deze door zijn werkgever werd gehuurd.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2019 dat de heffing van mrb voor buitenlandse kentekens niet in strijd is met het Unierecht. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de feitelijke beschikkingsmacht had, onder meer door de verzekeringspolis en een foto van de auto op de oprit van belanghebbende.
De verzuimboete is eveneens terecht opgelegd, omdat belanghebbende zonder betaling van mrb gebruik maakte van de openbare weg. De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn met 22 maanden en kent belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van € 2.000, waarvan € 455 voor rekening van de inspecteur en € 1.545 voor de minister. Tevens worden griffierechten en proceskosten deels vergoed.