ECLI:NL:RBZWB:2023:3931
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning met bouwjaar 2018 en een perceel van 755 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2020 vast op €1.104.000, waarna na bezwaar de waarde werd verlaagd naar €1.069.000. Belanghebbende stelde een lagere waarde van €968.000 voor.
De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van een taxatierapport dat de heffingsambtenaar had overgelegd, waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast met referentieobjecten in dezelfde plaats en vergelijkbare kenmerken. Belanghebbende betwistte het rapport niet, waardoor de rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast had voldaan.
Belanghebbende voerde aan dat de waardepeildatum 1 januari 2019 met een compromiswaarde van €900.000 met 7% moest worden verhoogd, maar de rechtbank volgde de wettelijke bepalingen en het taxatierapport voor de peildatum 1 januari 2020. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen gelijke gevallen waren aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en aanslag OZB, en wees het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €1.069.000 per 1 januari 2020 wordt gehandhaafd.