Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 20 april 2022 en alle daarin reeds genoemde stukken;
- de aanvullende producties 13 tot en met 16 zijdens [eiseres01] c.s.;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 maart 2023 en de bij die gelegenheid door beide raadslieden voorgedragen spreekaantekeningen.
primair:voor recht verklaart dat [gedaagde01] jegens één of meer eiseressen op voet van artikel 6: 10 BW gehouden is de schade van de heer [betrokkene] als gevolg van het ongeval
3.De beoordeling
De feiten
mogelijkhebben kunnen worden voorkomen. Daarnaast wegen de omstandigheden aan de zijde van [gedaagde01] ook zwaarder: de ernst van de normschending van [gedaagde01] (het ontbreken van een veilig ontwerp, zonder dat het instructiehandboek destijds beschikbaar was en zonder toereikende waarschuwing voor het valgevaar bij het ontgrendelen van het kantelbare platform) is groter dan die van [eiseres sub01] . De billijkheid vereist dus een bijstelling van de causale verdeling. Gezien het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [gedaagde01] voor 70% aansprakelijk is voor de schade van [betrokkene] en [eiseres sub01] voor 30%. Dit geldt zowel voor schade die door [eiseres sub01] al aan [betrokkene] is vergoed, als toekomstige schade die op grond van het voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst in de toekomst door [eiseres sub01] aan [betrokkene] zal worden vergoed.
€ 5.290,00(2 x tarief VI ad € 2.645,00,-)