De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 26 januari 2023 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van verkrachting en aanranding van een minderjarig slachtoffer op 23 november 2020 in Bergen op Zoom. De rechtbank oordeelde dat het primair ten laste gelegde feit van verkrachting niet bewezen kon worden vanwege onvoldoende duidelijkheid over binnendringen, maar achtte het subsidiair ten laste gelegde feit van aanranding wettig en overtuigend bewezen.
De bewijslast werd gedragen door de consistente verklaringen van het slachtoffer en het DNA-mengprofiel dat op het kruis van de broek van het slachtoffer werd aangetroffen, waarbij het DNA van verdachte zeer waarschijnlijk aanwezig was. De verklaring van verdachte over een alternatieve wijze van DNA-overdracht werd door de rechtbank als ongeloofwaardig verworpen, mede omdat verdachte ruim de gelegenheid had gehad om zijn verhaal te formuleren en geen concrete getuigen kon aandragen.
De rechtbank stelde vast dat verdachte het slachtoffer van achteren benaderde, vastpakte en onverhoeds over haar kleding haar vagina betastte, wat een ernstige inbreuk op haar lichamelijke integriteit vormde. Gelet op de ernst van het feit, het recidivekarakter van verdachte en het advies uit het reclasseringsrapport, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 7 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Tevens werd het inbeslaggenomen kledingstuk aan het slachtoffer teruggegeven.