Eiser ontving een IOAW-uitkering die door het college van burgemeester en wethouders van Breda werd ingetrokken voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 oktober 2019 vanwege het niet overleggen van alle gevraagde bankafschriften. Het bezwaar van eiser tegen deze intrekking werd ongegrond verklaard in het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat het college in een brief na het bestreden besluit een ander standpunt inneemt over de verblijfperiodes van eiser in het buitenland en erkent eiser dat hij geen recht had op uitkering over twee specifieke periodes.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en verklaart het beroep gegrond. Het besluit wordt vernietigd voor zover het ziet op de intrekking van de uitkering over 1 januari 2019 en de periode van 24 april tot en met 10 oktober 2019, evenals voor de terugvordering. Het besluit van 11 november 2020 wordt herroepen voor deze periodes.
De rechtbank bepaalt dat het college een nieuwe berekening moet maken van het terug te vorderen bedrag over de periodes waarin eiser wel in het buitenland verbleef. Omdat het slechts om een financiële uitwerking gaat, wordt geen bestuurlijke lus toegepast, maar krijgt het college de opdracht een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens wordt het door eiser betaalde griffierecht vergoed, maar geen proceskosten toegekend.