Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
geboren op [geboortedatum01] 2005 te [geboorteplaats01] ,
wonende te [adres01] , [postcode01] [woonplaats01] ,
nu gedetineerd in Justitiële Jeugdinrichting [verblijfplaats01] ,
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
Feit 1
Feit 2
op 8 september 2022 te Vlissingen [slachtoffer01] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer01] eenmaal met een mes in de borststreek te steken;
op 8 september 2022 te Vlissingen, als persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, een wapen van categorie IV, te weten een (opvouwbaar) mes, voorhanden heeft gehad.
5.De strafbaarheid
.Ook verkeerde verdachte volgens zijn eigen verklaring in de veronderstelling dat leden van de groep van [slachtoffer01] zouden doortrappen als hij eenmaal op de grond terecht zou komen.
6.De strafoplegging
Voor het geval de rechtbank tot een veroordeling komt heeft zij toepassing van het jeugdstrafrecht bepleit. Bij het opleggen van de straf moet rekening worden gehouden met het feit dat verdachte ten tijde van het feit verminderd toerekeningsvatbaar was en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Indien aan verdachte een PIJ-maatregel wordt opgelegd moet de behandeling zo snel mogelijk starten. De verdediging heeft daarom een jeugddetentie gelijk aan het voorarrest bepleit. Ten aanzien van het opleggen van de PIJ-maatregel heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.De benadeelde partijen
8.Het beslag
9.De vordering tot tenuitvoerlegging
10.De wettelijke voorschriften
11.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het onder 1 primair tenlastegelegde feit;
wapens en munitie;
een jeugddetentie van 21 (eenentwintig) maanden;
plaatsingvan verdachte
in een inrichting voor jeugdigen;
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten
een jeugddetentie van 90 (negentig) dagen.