Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 14 juni 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser was werkzaam als orderpicker en viel sinds mei 2017 uit wegens psychische klachten. Na beëindiging van zijn eerdere WIA-uitkering per 1 maart 2020 werd hem op grond van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid een nieuwe WIA-uitkering toegekend met ingang van 21 oktober 2021. Eiser maakte bezwaar tegen de ingangsdatum en tegen de beëindiging van deze uitkering per 29 november 2022.
De rechtbank oordeelt dat het beroep zich beperkt tot de beoordeling van de beëindiging per 29 november 2022, omdat over de periode vóór 21 oktober 2021 een lopende hoger beroepsprocedure bij de Centrale Raad van Beroep is. Medisch onderzoek door verzekeringsartsen van het UWV toonde geen toename van beperkingen ten opzichte van de situatie per 1 maart 2020. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de klachten en beperkingen niet waren toegenomen en dat eiser niet volstrekt arbeidsongeschikt was.
Eiser voerde aan dat hij wel degelijk toegenomen beperkingen had en vroeg om een onafhankelijke deskundige. De rechtbank vond het medisch onderzoek zorgvuldig en voldoende onderbouwd en wees het verzoek af. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de WIA-uitkering terecht beëindigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding of griffierechtvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WIA-uitkering per 29 november 2022 wordt ongegrond verklaard.