ECLI:NL:RBZWB:2023:4113

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 juni 2023
Publicatiedatum
14 juni 2023
Zaaknummer
22/4916
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens kortstondig stilstand voor brief posten

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 24 mei 2022 zonder betaling stil stond in een parkeervak aan de [straatnaam] te [plaats]. Hij maakte bezwaar en stelde dat hij slechts kortstondig stil stond om een brief te posten bij een PostNL brievenbus, en dat dit geen parkeren betrof.

De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de naheffingsaanslag. De rechtbank oordeelde echter dat het stilzetten van de auto met draaiende motor en brandende verlichting, kortdurend voor het posten van een brief, niet als parkeren in de zin van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022 kan worden beschouwd.

De rechtbank baseerde zich op de foto’s van de scanauto die het stilstaande voertuig, de brievenbus en een persoon lopend naar de brievenbus toonden. Gezien de korte duur en het doel van het stil staan, achtte de rechtbank het onredelijk om parkeerbelasting te eisen. Daarom werd de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar vernietigd en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting is vernietigd omdat het kortstondig stilzetten van de auto voor het posten van een brief geen parkeren is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 september 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 17 maart 2023 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
1.5.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Feiten

2. De auto met kenteken [kenteken] stond op 24 mei 2022 omstreeks 12:53 uur stil aan de [straatnaam] te [plaats]. Tijdens de controle met een scanauto op dat moment is geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 43,60.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij stil stond in het parkeervak aan de [straatnaam] om een brief te posten in een PostNL brievenbus en dat van parkeren geen sprake was. Daarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat hij in het parkeervak stil is gaan staan vanwege de verkeersveiligheid, zodat de auto niet stil staat op de doorgaande weg.
4.1.
De heffingsambtenaar heeft in beroep foto’s van de scanauto overgelegd. Op de foto’s is de auto met brandende verlichting van belanghebbende te zien, de PostNL brievenbus en een persoon die loopt in de richting van de PostNL brievenbus met iets in zijn hand.
4.2.
Niet in geschil is dat op de plek aan de [straatnaam] op grond van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022 (hierna: de Verordening) van de gemeente Tilburg voor het parkeren parkeerbelasting is verschuldigd. De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van ‘parkeren’ in de zin van artikel 1, aanhef, onder a van de Verordening. Belanghebbende heeft zijn auto tot stilstand gebracht om een brief te posten bij een PostNL brievenbus. Daarbij heeft belanghebbende zijn motor laten draaien, aan de brandende verlichting te zien. De rechtbank hecht waarde aan belanghebbendes verklaring dat de auto slechts korte tijd heeft stil gestaan op deze plaats, namelijk gedurende het posten van de brief in de PostNL brievenbus. Dit wordt eveneens ondersteund door de foto’s. Onder deze omstandigheden kan in alle redelijkheid van belanghebbende niet worden gevraagd dat hij parkeerbelasting betaalt voor de plek waar hij gedurende een zeer korte tijd heeft stilgestaan. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag parkeerbelasting dan ook onterecht aan belanghebbende opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier op 15 juni 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.