ECLI:NL:RBZWB:2023:4126
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op heffingskortingen voor niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige volgens unierecht
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland en met de Nederlandse nationaliteit, diende voor 2020 aangifte inkomstenbelasting in als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige met recht op heffingskortingen. De inspecteur legde echter een navorderingsaanslag op omdat belanghebbende niet aan de voorwaarden voldeed, aangezien het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland het heffingsrecht over haar AOW-uitkering aan Duitsland toewijst.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur bevoegd was tot navordering omdat het verschil tussen de primitieve aanslag en de navorderingsaanslag meer dan 30% bedraagt en de belastingplichtige dit redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur had de primitieve aanslag niet geblokkeerd, wat als een fout wordt aangemerkt.
Op nationaal recht is belanghebbende geen recht op persoonlijke tegemoetkomingen toe te kennen omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.8 Wet IB 2001 en artikel 21bis UBIB 2001. Het unierecht, waaronder de arresten Schumacker en Turpeinen, biedt haar ook geen recht op heffingskortingen omdat zij geen in Nederland belastbaar inkomen geniet.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de navorderingsaanslag en belastingrente. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De navorderingsaanslag en belastingrente worden gehandhaafd; belanghebbende heeft geen recht op heffingskortingen.