Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.Waar gaat deze zaak over?
[overlijdensdatum01] is de dochter overleden.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak stond centraal of eiseres, de moeder van de overleden huurder, de huurovereenkomst voor het appartement mocht voortzetten. De huurovereenkomst was gesloten met haar dochter, die op [overlijdensdatum01] is overleden. Eiseres had binnen de wettelijke termijn een vordering tot voortzetting van de huur ingediend op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro.
De kantonrechter oordeelde dat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat zij met haar dochter een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, zoals vereist om de huur voort te zetten. Zij had geen bewijs geleverd van financiële bijdrage, gezamenlijke huishoudelijke taken of duurzame samenwoning gericht op de toekomst. De samenwoning had slechts iets meer dan een jaar geduurd en was bovendien gestart toen de medische vooruitzichten van haar dochter slecht waren.
Daarom werd de vordering tot voortzetting van de huur afgewezen. WonenBreburg vorderde vervolgens ontruiming van het gehuurde, wat werd toegewezen met een termijn van veertien dagen. De veroordeling tot ontruiming werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, conform artikel 7:268 lid 2 BW Pro. Tevens werd eiseres veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding en proceskosten aan WonenBreburg.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen.