ECLI:NL:RBZWB:2023:4228

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2023
Publicatiedatum
19 juni 2023
Zaaknummer
10311754 CV EXPL 23-315 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:268 BWArt. 29a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voortzetting huurovereenkomst na overlijden huurder dochter

In deze zaak stond centraal of eiseres, de moeder van de overleden huurder, de huurovereenkomst voor het appartement mocht voortzetten. De huurovereenkomst was gesloten met haar dochter, die op [overlijdensdatum01] is overleden. Eiseres had binnen de wettelijke termijn een vordering tot voortzetting van de huur ingediend op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro.

De kantonrechter oordeelde dat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat zij met haar dochter een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, zoals vereist om de huur voort te zetten. Zij had geen bewijs geleverd van financiële bijdrage, gezamenlijke huishoudelijke taken of duurzame samenwoning gericht op de toekomst. De samenwoning had slechts iets meer dan een jaar geduurd en was bovendien gestart toen de medische vooruitzichten van haar dochter slecht waren.

Daarom werd de vordering tot voortzetting van de huur afgewezen. WonenBreburg vorderde vervolgens ontruiming van het gehuurde, wat werd toegewezen met een termijn van veertien dagen. De veroordeling tot ontruiming werd niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, conform artikel 7:268 lid 2 BW Pro. Tevens werd eiseres veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding en proceskosten aan WonenBreburg.

Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 10311754 CV EXPL 23-315
proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 26 mei 2023
in de zaak van:
[eiseres01],
wonende te [plaats01] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. W.G.M. Vos, advocaat te Breda ,
tegen
STICHTING WONENBREBURG,
gevestigd te Tilburg,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C.M. van Haaren.
Partijen zullen hierna [eiseres01] en WonenBreburg worden genoemd.
Aanwezig zijn mr. M.N.A. Ebben, kantonrechter, en mr. A. Kalicharan, griffier.
Na uitroeping van de zaak zijn verschenen [eiseres01] , bijgestaan door mr. Vos voornoemd en door [naam01] als tolk Spaans (tolknummer [nummer01] ), en namens WonenBreburg, [naam02] bijgestaan door mr. Van Haaren voornoemd.
Nagekomen processtukken zijn:
- de conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van [eiseres01] .

1.De procedure

In deze zaak heeft vandaag een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De aantekeningen van de zitting bevinden zich in het dossier. De kantonrechter heeft daarna de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de kantonrechter in aanwezigheid van beide partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiseres01] de huurovereenkomst voor het appartement dat werd gehuurd door haar inmiddels overleden dochter mag voortzetten.
2.2.
WonenBreburg heeft met ingang van 17 april 2020 een huurovereenkomst gesloten ter zake het appartement aan het [adres01] te [plaats01] met bijbehorende parkeerplaats (hierna: het gehuurde) met [dochter eiseres01] . De laatst verschuldigde huur bedraagt € 695,33 voor de woning en € 7,86 voor de parkeerplaats.
2.3.
[eiseres01] is vanuit Peru naar Nederland gekomen vanwege de ziekte van haar dochter. Bij haar dochter was borstkanker geconstateerd en zij is hiervoor behandeld. Op
[overlijdensdatum01] is de dochter overleden.
2.4.
Bij brief van 6 september 2022 heeft de gemachtigde van [eiseres01] WonenBreburg verzocht om haar als huurster aan te merken. WonenBreburg heeft hierop afwijzend gereageerd.

3.De motivering

3.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie worden deze hierna gezamenlijk beoordeeld.
3.2.
Artikel 7:268 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) biedt de persoon die geen medehuurder is, maar die zijn hoofdverblijf wel in het gehuurde heeft en die met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, de mogelijkheid om de huur voort te zetten gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder. Als hij de huur ook na deze periode wil voortzetten (en de verhuurder daarmee niet instemt) kan hij binnen die periode van zes maanden een daarop gerichte vordering instellen bij de kantonrechter.
3.3.
Niet in geschil is dat [eiseres01] haar vordering binnen de wettelijke termijn zoals hiervoor genoemd heeft ingesteld zodat zij ontvankelijk is in haar vordering.
3.4.
De kantonrechter staat vervolgens stil bij de vraag of [eiseres01] en haar dochter een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden die was gericht op de (langdurige) toekomst. De kantonrechter stelt bij de beoordeling hiervan het volgende voorop. In de rechtspraak is uitgangspunt dat slechts onder bijzondere omstandigheden het samenleven van een kind en ouder(s) na het zelfstandig worden van het kind wordt aangemerkt als een blijvende samenwoning in een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW Pro.1 Het is aan [eiseres01] om feiten en omstandigheden te stellen - en zo nodig te bewijzen - waaruit blijkt dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met haar dochter. Of hiervan sprake was wordt enerzijds bepaald door objectieve factoren, zoals de feitelijke duur van de samenwoning, en anderzijds door subjectieve factoren, zoals de persoonlijke en financiële vervlechting van partijen, die bijvoorbeeld blijkt uit afspraken over de kosten van de huisvesting en/of het levensonderhoud, de verdeling van huishoudelijke taken en gezamenlijke sociale contacten en activiteiten.
3.5.
[eiseres01] heeft haar stellingen dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding onvoldoende onderbouwd. Zo heeft zij niet onderbouwd dat zij een financiële bijdrage leverde aan het huishouden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij gesteld dat zij geld kreeg uit Peru en dat dit op de rekening van haar dochter is gestort, waarna hiervan de gezamenlijke lasten werden voldaan, maar zij heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd. Ook heeft zij niet onderbouwd dat zij samen met haar dochter werkzaamheden in het huishouden verrichtte en dat zij samen allerhande activiteiten ondernamen. Verder is het de vraag of de samenwoning duurzaam is geweest. De dochter heeft langere tijd zelfstandig, zonder haar moeder, gewoond. Ook uitgaande van de stellingen van [eiseres01] heeft de samenwoning maar kort (iets meer dan één jaar) geduurd en [eiseres01] heeft zelf aangegeven dat de vooruitzichten voor haar dochter medisch gezien niet goed waren op het moment van de aanvang van de samenwoning.
3.6.
Omdat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, behoeft de stelling van WonenBreburg dat [eiseres01] onvoldoende waarborgen biedt voor behoorlijke nakoming van de huurovereenkomst geen bespreking.
3.7.
Dit betekent dat de vordering van [eiseres01] wordt afgewezen.
3.8.
WonenBreburg vordert in reconventie ontruiming van het gehuurde. Zij voert daartoe aan dat [eiseres01] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft.
3.9.
Aangezien de vordering tot voortzetting van de huur wordt afgewezen, verblijft [eiseres01] zonder recht of titel in het gehuurde. De vordering tot ontruiming zal daarom worden toegewezen. De kantonrechter zal daaraan de gebruikelijke termijn van veertien dagen verbinden.
3.10.
De veroordeling tot ontruiming zal echter, anders dan WonenBreburg vordert, niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Het bepaalde in artikel 7:268 lid 2 BW Pro staat daaraan in de weg. [eiseres01] moet de woning immers (pas) ontruimen als dit vonnis van de kantonrechter onherroepelijk is geworden.
3.11.
De gevorderde betaling van een gebruiksvergoeding tot de datum van ontruiming zal als niet weersproken worden toegewezen.
3.12.
[eiseres01] zal in conventie en in reconventie worden veroordeeld in de proceskosten van WonenBreburg. In conventie worden de proceskosten vastgesteld op een bedrag van € 264,00 aan salaris gemachtigde (2 punten à € 132,00). Gelet op de samenhang met de conventie worden de proceskosten in reconventie vastgesteld op de helft van het salaris in conventie, zijnde een bedrag van € 132,00 aan salaris gemachtigde. De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in het dictum.

4.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie:
4.1
wijst de vordering af;
4.2
veroordeelt [eiseres01] in de proceskosten, aan de kant van WonenBreburg tot op heden vastgesteld op € 264,00 aan salaris voor de gemachtigde van WonenBreburg, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag indien binnen veertien dagen na betekening van deze uitspraak niet aan de veroordeling is voldaan;
in reconventie:
4.3
veroordeelt [eiseres01] om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de woning aan [adres01] met parkeerplaats ( [adres parkeerplaats01] )
( [postcode01] ) te [plaats01] met medeneming van het hare en de haren te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels in nette staat aan WonenBreburg ter beschikking te stellen;
4.4
veroordeelt [eiseres01] tot betaling van een (gebruiks-)vergoeding gelijk aan de thans geldende huurprijs voor elke maand, een gedeelte van een maand voor een volle gerekend, dat de woning met parkeerplaats in bezit wordt gehouden totdat de woning met parkeerplaats is ontruimd;
4.5
veroordeelt [eiseres01] in de proceskosten, aan de kant van WonenBreburg tot op heden vastgesteld op € 132,00 aan salaris voor de gemachtigde van WonenBreburg, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag indien binnen veertien dagen na betekening van deze uitspraak niet aan de veroordeling is voldaan;
4.6
wijst de vordering voor het overige af;
in conventie en in reconventie:
4.7
verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordeling tot betaling van de gebruiksvergoeding en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. Ebben, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 30 mei 2023.
Waarvan proces-verbaal,
de griffier, de kantonrechter,