Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam aan boord van een motortankschip in de Rijnvaart, was in 2018 in dienst van een werkgever gevestigd in Liechtenstein. De Nederlandse Sociale Verzekeringsbank (SVB) gaf een A1-verklaring af die Nederland als toepasselijk socialezekerheidsrecht bevestigde voor de periode 2016-2019. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de premieplicht in Nederland en tegen het niet verrekenen van in Liechtenstein ingehouden premies.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen terecht heeft opgelegd, omdat de Nederlandse A1-verklaring bindend is voor de Belastingdienst en de rechter. De door Liechtenstein afgegeven A1-verklaring wordt niet gevolgd, mede omdat Liechtenstein haar bezwaren tegen de Nederlandse verklaring heeft ingetrokken. De rechtbank wijst ook de vordering tot verrekening van in Liechtenstein ingehouden premies af, omdat de Wet IB 2001 en de relevante Europese verordening geen grondslag bieden voor verrekening zonder dat de bevoegde instantie (SVB) premies heeft ontvangen.
Belanghebbende voerde verder aan dat de inspecteur niet alle relevante stukken had overgelegd en dat de premieplicht onredelijk uitwerkt, maar deze argumenten worden verworpen. Ook de aanslagbelastingrente wordt gehandhaafd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenvergoeding af.