Belanghebbenden, gehuwd en woonachtig in Zweden, ontvingen in 2017 inkomsten uit Nederland en werden aangeslagen voor inkomstenbelasting. Zij stelden dat zij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen moesten worden aangemerkt en dat de aanslagen onterecht waren opgelegd. De inspecteur had de aanslagen deels verminderd op basis van het belastingverdrag met Zweden, waarbij bepaalde pensioen- en lijfrente-inkomsten aan Zweden werden toegewezen.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbenden niet voldoen aan het vereiste dat ten minste 90% van hun inkomen in Nederland belast moet zijn om als kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen te worden aangemerkt. Ook de uitbreiding van deze regeling voor gepensioneerden met een laag inkomen is niet van toepassing, omdat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in Zweden geen belasting verschuldigd zijn over hun wereldinkomen zonder toepassing van dubbele belastingverdragsregels.
Verder faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen concrete toezeggingen door de inspecteur zijn aangetoond die het vertrouwen rechtvaardigen dat zij niet belast zouden worden. De belastingrentebeschikkingen worden eveneens gehandhaafd. De beroepen worden ongegrond verklaard, waardoor de aanslagen en belastingrente in stand blijven en belanghebbenden geen proceskostenvergoeding ontvangen.