ECLI:NL:RBZWB:2023:424

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 januari 2023
Publicatiedatum
26 januari 2023
Zaaknummer
22/1163
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:70 AwbAfdeling 8.2.6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep na rechtsgeldige intrekking in belastingzaak 2016

Belanghebbende was het niet eens met de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2016 en stelde beroep in tegen een gedeeltelijke vermindering van de aanslag door de inspecteur. Tijdens de zitting op 9 december 2022 werd een compromis bereikt waarbij belanghebbende het beroep ter zitting introk. Kort daarna stelde de gemachtigde dat het beroep niet was ingetrokken en verzocht alsnog uitspraak.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking rechtsgeldig was, omdat de gemachtigde en belanghebbende ondubbelzinnig en uitdrukkelijk akkoord waren gegaan met het compromis en de intrekking. Er was geen sprake van dwaling, dwang of bedrog. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad dat bij betwisting van intrekking de rechtbank haar constatering van intrekking in een uitspraak moet vastleggen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en legde dit vast in haar uitspraak, zodat belanghebbende hiertegen hoger beroep kan instellen. De uitspraak werd gedaan door rechter Boersma op 25 januari 2023 en openbaar gemaakt via Rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard wegens rechtsgeldige intrekking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/1163
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende]uit [plaats] , belanghebbende,
gemachtigde [gemachtigde] ,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Feiten en procesverloop

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.235. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende € 345 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur is in de bezwaarfase gedeeltelijk aan de bezwaren van belanghebbende tegemoetgekomen. De inspecteur heeft de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.532. De in rekening gebrachte belastingrente is verminderd tot € 168.
1.3.
Tegen de in 1.2 genoemde beslissing heeft belanghebbende beroep ingesteld. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.5.
In het kader van een compromis heeft belanghebbende het beroep ter zitting ingetrokken. De griffier heeft dat compromis in een verkort proces-verbaal opgenomen en aan partijen toegezonden.
1.6.
Vervolgens heeft de gemachtigde de rechtbank bij brief van 28 december 2022 gemeld het beroep niet ter zitting te hebben ingetrokken en de rechtbank verzocht zich nader te verklaren.
1.7.
De griffier heeft vervolgens van de zitting een (nader) proces-verbaal opgemaakt en aan partijen toegezonden.
1.8.
De gemachtigde heeft daarop bij brief van 10 januari 2023 aangegeven dat hij het beroep in deze zaak niet heeft ingetrokken en de rechtbank verzocht alsnog uitspraak te doen.

2.Beoordeling door de rechtbank

2.1.
Belanghebbende betwist de rechtsgeldigheid van de intrekking van het beroep. Naar het oordeel van de rechtbank heeft te gelden wat de Hoge Raad daarover in zijn arrest van 23 september 2011 overwogen:
“3.3. Opmerking verdient dat een rechtsgeldige intrekking van het beroep tot gevolg heeft dat het geding eindigt. In een zodanig geval kan een uitspraak op dat beroep achterwege blijven. In een geval als het onderhavige echter, waarin de betrokken partij aan de rechtbank heeft meegedeeld dat zij betwist het beroep (rechtsgeldig) te hebben ingetrokken, moet de rechtbank - indien zij van oordeel blijft dat het beroep rechtsgeldig is ingetrokken - haar constatering van die intrekking neerleggen in een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb, zodat degene die zich daarmee niet kan verenigen daartegen een rechtsmiddel kan aanwenden (…).
Indien de rechtbank in een zodanig geval in haar uitspraak neerlegt dat het beroep rechtsgeldig is ingetrokken, dient die uitspraak uit te monden in een niet-ontvankelijkverklaring als bedoeld in artikel 8:70, letter b, van de Awb.” [1]
2.2.
De rechtbank stelt, onder verwijzing naar het proces-verbaal van de zitting, vast dat de gemachtigde en belanghebbende samen een administratiekantoor hebben, dat de punten uit het beroepschrift ter zitting aan de orde zijn geweest, dat de specifieke zorgkosten ook voor een eerder jaar in geschil zijn geweest (zie ECLI:NL:GHSHE:2022:3878), dat de inspecteur ter zitting heeft ingestemd met een hogere aftrek voor deze zorgkosten en een nadere berekening heeft gemaakt, dat de gemachtigde zich na een schorsing met deze berekening akkoord heeft verklaard en dat de inspecteur ook de gestelde proceskosten en het griffierecht wilde vergoeden. Ter zitting heeft de rechter de gemaakte afspraken expliciet gerecapituleerd. De gemachtigde heeft zich uitdrukkelijk en ondubbelzinnig akkoord verklaard en het beroep ingetrokken. Dat belanghebbende in een situatie van dwaling verkeerde is niet aannemelijk, laat staan dat er sprake is geweest van dwang of bedrog om belanghebbende te bewegen het beroep in te trekken. Het beroep is daarom rechtsgeldig ingetrokken.

3.Conclusie en gevolgen

Het beroep is niet-ontvankelijk. Omdat (de gemachtigde van) belanghebbende een rechtsmiddel moet kunnen instellen, legt de rechtbank de constatering van de intrekking vast in deze uitspraak, waartegen op de reguliere wijze hoger beroep kan worden ingesteld.

4.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier, op 25 januari 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier De rechter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Voetnoten

1.Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2297