Verdachte werd verdacht van het afpersen van een slachtoffer met geweld op straat voor een bedrag van €20,00. De officier van justitie baseerde het bewijs op camerabeelden, herkenningen door twee verbalisanten en een getuige, en de aangifte.
De verdediging betwistte de betrouwbaarheid van de herkenningen en stelde dat er sprake was van tunnelvisie bij de politie. De rechtbank onderzocht de kwaliteit van de camerabeelden en de betrouwbaarheid van de herkenningen. De stills waren van slechte kwaliteit en toonden verdachte niet duidelijk frontaal. De verbalisanten konden onvoldoende specifieke persoonskenmerken noemen om de herkenning betrouwbaar te maken. De getuige kende verdachte wel, maar haar verklaringen waren inconsistent en werden eenzijdig bevraagd.
Daarnaast was er onvoldoende aanvullend bewijs, zoals locatiegegevens van de telefoon, die te algemeen waren om verdachte aan de plaats van de overval te koppelen. Ook de taal van de dader strookte niet met die van verdachte. Gezien deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het bewijs onvoldoende was om verdachte te veroordelen.
De rechtbank sprak verdachte vrij, wees de schadevordering van het slachtoffer af en wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af. Tevens werd het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.