Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 9 juni 2023 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van verkrachting en seksueel binnendringen bij een persoon met een geestelijke stoornis. De officier van justitie baseerde zich op de aangifte, verklaringen van de benadeelde en een getuige, terwijl de verdediging het bewijs betwistte en wees op het ontbreken van ondersteunend bewijs, zoals DNA-matches en rittenstaat.
De rechtbank overwoog dat in zedenzaken vaak alleen de verklaring van de aangever tegenover die van de verdachte staat en dat volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro niet uitsluitend op één getuigenverklaring bewezen kan worden verklaard. De verklaring van de benadeelde werd niet onbetrouwbaar geacht, maar de betrouwbaarheid kon niet worden vastgesteld vanwege het ontbreken van ondersteunend bewijs. De getuigenverklaring was grotendeels gebaseerd op wat de benadeelde zelf had verteld en de emotionele reactie was niet direct na het incident.
Gezien het gebrek aan voldoende wettig bewijs kon de rechtbank niet vaststellen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan de ten laste gelegde feiten en sprak verdachte vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot immateriële schadevergoeding, omdat de strafzaak niet tot een veroordeling leidde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs van verkrachting en seksueel binnendringen.