Uitspraak
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoeker heeft bijstand aangevraagd op grond van het Besluit Bijstand voor Zelfstandigen (BBZ) nadat hij zijn baan had opgezegd en een eenmanszaak was gestart. Het college wees de aanvraag af omdat verzoeker niet tot de doelgroep behoorde en verwijtbaar werkloos was.
Verzoeker maakte pro-forma bezwaar, maar diende de gronden van bezwaar niet tijdig en op de voorgeschreven wijze in. Ondanks meerdere waarschuwingen en een hersteltermijn verstreken de gronden van bezwaar pas na de gestelde termijn en niet via de juiste kanalen.
Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:5 en Pro 6:6 van de Awb. Verzoeker stelde dat hij niet de dupe mocht worden van fouten van zijn gemachtigde, maar de rechter volgde vaste jurisprudentie dat dit voor eigen risico is.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde, waardoor inhoudelijke beoordeling van de aanvraag achterwege bleef. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.