ECLI:NL:RBZWB:2023:4443

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 juni 2023
Publicatiedatum
27 juni 2023
Zaaknummer
AWB- 22_2241
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 AwbArt. 4:14 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen handhavingsverzoek skatebaan

Eiser heeft op 4 oktober 2021 een verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Breda om handhavend op te treden tegen overlast op een skatebaan. Het college heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken beslist, waardoor eiser op 20 april 2022 beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen.

De rechtbank constateert dat het college pas op 31 mei 2022 gedeeltelijk heeft beslist en dat de beslistermijn voor het onderdeel geluidsoverlast niet rechtsgeldig is opgeschort. Partijen zijn in onderling overleg overeengekomen de uitkomsten van een geluidsmeting af te wachten. Het college heeft aangegeven uiterlijk 1 september 2023 te zullen besluiten over het laatste onderdeel.

De rechtbank legt het college een beslistermijn op tot uiterlijk 1 september 2023 en een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 bij overschrijding. Daarnaast stelt de rechtbank een reeds verbeurde dwangsom van €1.442 vast. Het beroep tegen het besluit van 31 mei 2022 wordt verwezen naar het college voor behandeling als bezwaar. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het college moet uiterlijk 1 september 2023 beslissen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/2241

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2023 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Schmidt-Lo Fo Wong),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser op 20 april 2022 heeft ingesteld omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 4 oktober 2021 om handhavend op te treden tegen de overlast veroorzaakt door de activiteiten die plaatsvinden op de skatebaan gelegen aan de [adres] te [plaatsnaam] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Beroep tegen het niet tijdig beslissen
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
2.1.
Eiser heeft de aanvraag ingediend op 4 oktober 2021. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen het college op deze aanvraag moet beslissen. In zo’n geval geldt een beslistermijn van acht weken. [2] Het college had dus uiterlijk op 29 november 2021 moeten beslissen. De rechtbank is niet gebleken dat het college binnen de beslistermijn toepassing heeft gegeven aan artikel 4:14 van Pro de Awb. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft het college op 28 maart 2022 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
2.2.
Het beroep is kennelijk gegrond.
2.3.
Het college heeft op 31 mei 2022 gedeeltelijk beslist op het verzoek om handhaving. Nu het college alsnog (gedeeltelijk) heeft beslist op de aanvraag, wordt, met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb, het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen dit besluit.
2.4.
Voor het laatste onderdeel waarop het verzoek om handhaving ziet (geluidsoverlast door het springen en landen van skaters) diende nog een geluidsmeting te worden verricht. Na het besluit van 31 mei 2022 heeft het college beoogd om de beslistermijn voor dit onderdeel op te schorten. De rechtbank is echter van oordeel dat het college niet binnen de beslistermijn toepassing heeft gegeven aan artikel 4:14 van Pro de Awb, zodat er geen sprake is van een rechtsgeldige opschorting van de beslistermijn. Ondanks dat de beslistermijn niet rechtsgeldig is opgeschort, zijn partijen dit in onderling overleg wel overeengekomen. Eiser heeft ingestemd om de uitkomsten van het geluidsonderzoek af te wachten. Naar aanleiding van het geluidsonderzoek heeft op 9 maart 2023 nog een informeel overleg tussen partijen plaatsgevonden. Hierbij is besloten dat er onderzoek wordt gedaan naar eventuele opties om met behulp van geluidswerende maatregelen in de omgeving van de skatebaan de ondervonden overlast te beperken.
2.5.
Bij brief van 14 april 2023 heeft eiser de rechtbank gevraagd op welke termijn het college een besluit kan afgeven. Het college heeft bij brief van 22 mei 2023 aangegeven uiterlijk 1 september 2023 een beslissing te nemen op het laatste onderdeel van het handhavingsverzoek.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
3. Omdat het college nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.
3.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. Het college heeft uitgelegd dat hij deze tijd nodig heeft omdat inmiddels een aantal specialistische bedrijven zijn gevraagd het college te adviseren met betrekking tot de mogelijkheden tot het realiseren van geluidswerende voorzieningen. De rechtbank vindt dat een goede reden. Het college moet daarom uiterlijk 1 september 2023 het besluit nemen op het laatste onderdeel uit het verzoek om handhaving van 4 oktober 2021.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
4. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
5. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [3]
5.1.
Het college heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 28 maart 2022 bij het college is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd.
Beroep tegen besluit van 31 mei 2022
6. Eiser heeft bij e-mail van 11 juli 2022 aangegeven het niet eens te zijn met de beslissing van het college van 31 mei 2022. Aangezien de inhoudelijke standpunten van partijen nog onvoldoende tussen het bestuursorgaan en eiser zijn uitgesproken en besproken, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 31 mei 2022 te verwijzen naar het college ter behandeling als bezwaar (artikel 6:20, vierde lid, van de Awb).
6.1.
Dit betekent dat de rechtbank het (aanvullend) beroepschrift van 11 juli 2022 ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb alsnog als bezwaarschrift zal doorzenden aan het college onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu dit beroepschrift reeds in bezit is van het college zal de rechtbank dit niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 3.1. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 4. genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door het college al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 5.1. berekend.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 418,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het college op uiterlijk 1 september 2023 alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • stelt de door het college te betalen dwangsom vast op € 1.442;
  • verwijst het beroep tegen het besluit van 31 mei 2022 naar het college ter behandeling als bezwaar;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 27 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb.
3.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.