ECLI:NL:RBZWB:2023:4479

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 juni 2023
Publicatiedatum
28 juni 2023
Zaaknummer
AWB- 23_138
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep studiefinanciering

Verzoekster stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op bezwaar tegen een studiefinancieringsbesluit. Nadat de minister alsnog studiefinanciering en reisvoorziening toekende, trok verzoekster het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De minister had reeds het griffierecht en proceskosten van € 837,- vergoed, inclusief vergoeding voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank overwoog dat deze vergoeding volledig is en dat het verzoek om aanvullende proceskostenvergoeding daarom niet kan worden toegewezen.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en deed dit zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door rechter I.M. Josten op 27 juni 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat minister reeds volledige vergoeding heeft toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/138

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2023 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P.S. Folsche),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 9 januari 2023 digitaal beroep ingesteld omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 28 mei 2022 tegen het besluit van 26 mei 2022 betreffende de (gedeeltelijke) afwijzing van haar aanvraag tot studiefinanciering over de maanden december 2021 tot en met december 2022.
Bij besluit van 11 januari 2023 heeft de minister op het bezwaar beslist en aan verzoekster alsnog studiefinanciering toegekend.
Verzoekster heeft het beroep met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Awb voorgezet, aangezien er geen toekenning heeft plaatsgevonden van de reisvoorziening.
De minister heeft naar aanleiding van het aanvullend beroepschrift alsnog bij besluit van 27 maart 2023 de reisvoorziening aan verzoekster toegekend.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De minister heeft de rechtbank meegedeeld dat er opdracht is gegeven om het griffierecht van € 50,- en de gemaakte proceskosten in de beroepsfase van € 837,- aan verzoekster uit te laten betalen.
De rechtbank heeft verzoekster gevraagd of de toezegging van de minister aanleiding geeft om het verzoek om proceskostenveroordeling in te trekken. Verzoekster stelt dat de vergoeding enkel ziet op het inhoudelijke beroep en verzoekt de rechtbank om uitspraak te doen over de kosten die verband houden met het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de minister tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster.
De minister is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster, maar toch bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De minister is immers al tot volledige vergoeding van de proceskosten overgegaan. Anders dan verzoekster stelt, zit in het bedrag van € 837,- ook de vergoeding voor het ingediende beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen. Verzoekster heeft immers recht op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig beslissen met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 0,5 (zijnde € 418,50) en een 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie naar aanleiding van een brief van de rechtbank met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1 (zijnde € 418,50). Tezamen komt dit neer op de door de minister uitgekeerde vergoeding van € 837,-.
De rechtbank wijst erop dat de minister ook tot vergoeding van het betaalde griffierecht is overgegaan.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 27 juni 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.