ECLI:NL:RBZWB:2023:4480

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 juni 2023
Publicatiedatum
28 juni 2023
Zaaknummer
22-027868
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 529 SvArt. 534 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand na sepot strafzaak

In deze zaak heeft de rechtbank een verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand behandeld, ingediend door de verzoeker na sepot van de strafzaak door het Openbaar Ministerie op 19 augustus 2021. Hoewel het verzoekschrift pas op 5 december 2022 werd ingediend, wat buiten de wettelijke termijn van drie maanden na beëindiging van de zaak valt, acht de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar en verklaart verzoeker ontvankelijk.

De rechtbank overweegt dat de zaak zonder oplegging van straf of maatregel is geëindigd en dat de rechtbank bevoegd is het verzoek te behandelen. De gevraagde vergoeding van € 846,52 aan kosten rechtsbijstand is voldoende onderbouwd en wordt toegekend, evenals een forfaitaire vergoeding van € 680,00 voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.

De beslissing is genomen door rechter J.C. Gillesse en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 8 juni 2023. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open voor zowel het Openbaar Ministerie als verzoeker binnen de daarvoor gestelde termijnen.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand wordt toegewezen voor een totaalbedrag van € 1.526,52.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-223431-21
rk-nummer: 22-027868
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 5 december 2022, in de zaak:
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. E.M.J. Thomas te (4837 BD) Breda, Chopinstraat 17.
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 846,52, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 19 augustus 2021;
  • de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie.
Op 25 mei 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. E.M.J. Thomas als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak met bovengenoemd parketnummer bij beslissing van het Openbaar Ministerie van 19 augustus 2021 is geseponeerd. Verzoeker heeft op 10 oktober 2022 van deze beslissing kennisgenomen. Verzoeker heeft in verband met de strafzaak kosten van rechtsbijstand gemaakt en verzoekt daarvoor een bedrag ter hoogte van € 846,52, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
De advocaat heeft in aanvulling op het verzoekschrift in raadkamer aangevoerd dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek nu de juridische termijn voor het indienen van een verzoekschrift ingaat op het moment dat de advocaat ook van die beslissing in kennis is gesteld, zijnde in casu 10 oktober 2022. Het verzoekschrift is aldus tijdig ingediend.
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de ontvankelijkheid van verzoeker gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verzochte vergoeding van kosten van rechtsbijstand acht hij geheel toewijsbaar.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat artikel 530, vierde lid, Sv juncto artikel 529, tweede lid Sv voorschrijft dat een verzoek slechts kan worden ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak. Het verzoekschrift is op 5 december 2022 ontvangen, terwijl de zaak tegen verzoeker op 19 augustus 2021 is geseponeerd. De rechtbank constateert dan ook dat het verzoek niet tijdig binnen drie maanden na afloop van de strafzaak is ingediend. De rechtbank ziet echter in hetgeen namens verzoeker in raadkamer is aangevoerd reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank zal verzoeker dan ook ontvankelijk verklaren in zijn verzoekschrift.
Ingevolge artikel 530 Sv Pro wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van
€ 846,52is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van
€ 680,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 1.526,52, bestaande uit:
- € 846,52 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van
€ 1.526,52zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van [bedrijf] B.V., onder vermelding van “ [betalingskenmerk] ”.
Deze beslissing is op 8 juni 2023 gegeven door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv Pro kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).