Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
3.De vordering
primair:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen, ex-echtgenoten, zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, dat bij de vrouw verblijft. Bij verstekvonnis van 4 april 2023 werd de vrouw veroordeeld mee te werken aan een contactregeling waarbij het kind bij de man verblijft op vaste tijden.
De vrouw stelde dat zij de dagvaarding niet begreep vanwege taalproblemen en stelde in kort geding alsnog verweer te willen voeren. Zij had echter een verzetdagvaarding ingediend en daarna ingetrokken, waardoor het verstekvonnis onherroepelijk werd. De vrouw vorderde opschorting van de contactregeling en onderzoek naar de veiligheid van het kind.
De man voerde verweer dat de vrouw niet-ontvankelijk was wegens het ingetrokken verzet en het ontbreken van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw niet tijdig verzet had ingesteld, waardoor het verstekvonnis definitief is geworden. Daarom werd de vrouw niet-ontvankelijk verklaard en is niet inhoudelijk op de vorderingen ingegaan.
Uitkomst: De vrouw is niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen wegens het niet tijdig instellen van verzet tegen het verstekvonnis.