ECLI:NL:RBZWB:2023:456
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Bodemzaak
- Van der Burgt
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vorderingen tot betaling huur en kosten bij bedrijfsruimte
Partijen sloten op 7 juni 2021 een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte. De huurder betaalde vanaf maart 2022 geen huur meer, waarna de verhuurder conservatoir beslag liet leggen op de inventaris in het gehuurde. De verhuurder vorderde in kort geding betaling van achterstallige huur, boetes, beslagkosten, incassokosten en doorbetaling van de lopende huur.
De huurder voerde verweer tegen het spoedeisend belang en stelde dat het beslag onnodig was en dat de huurovereenkomst beëindigd zou zijn. De kantonrechter oordeelde dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk was vanwege oplopende beslagkosten en niet-betaalde huur, en dat de vorderingen met grote waarschijnlijkheid in de bodemprocedure zouden worden toegewezen.
De kantonrechter wees de vorderingen toe, veroordeelde de huurder tot betaling van € 15.847,80 aan achterstallige huur, € 4.500,00 aan boetes, € 9.694,34 aan beslagkosten, € 1.183,96 aan incassokosten, en tot doorbetaling van de lopende huur. Tevens werd de huurder veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige huur, boetes, beslagkosten, incassokosten en doorbetaling van de lopende huur met uitvoerbaarheid bij voorraad.