ECLI:NL:RBZWB:2023:4615
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde en OZB aanslag gemeente Schouwen-Duiveland
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden van twee onroerende zaken per 1 januari 2019, welke hebben geleid tot de oplegging van OZB-aanslagen voor 2020. De heffingsambtenaar stelde de waarden vast op respectievelijk €664.000 en €905.000.
Tijdens de zitting trok belanghebbende het beroep in voor het eerste adres en beperkte zich tot een verzoek om vergoeding van immateriële schade, welke niet werd toegekend omdat deze vergoeding aan de gemachtigde toekomt. Voor het tweede adres werd het beroep inhoudelijk behandeld. Belanghebbende voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de gevolgen van de coronapandemie en het leegstandsrisico.
De rechtbank overwoog dat de waardepeildatum 1 januari 2019 was, vóór de coronapandemie, en dat het leegstandsrisico adequaat weerspiegeld is in de gehanteerde kapitalisatiefactor op basis van marktgegevens. De heffingsambtenaar heeft de vastgestelde waarde aannemelijk gemaakt met onder meer huurwaardekapitalisatie en vergelijkingsobjecten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en OZB-aanslag wordt ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.