Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 28 juli 2021 met de daarin genoemde processtukken
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 maart 2022 met de daarin genoemde processtukken
- de brief van mr. D.J. Wolf verstuurd bij e-mail van 24 oktober 2022.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
“De juiste/volledige bestemmingsomschrijving is: WONING, GARAGE EN 2 LOODSEN VOOR OPSLAG EIGEN GEBRUIK.”,[gedaagde01] wijst daar op, leidt niet tot een ander oordeel. De bestemmingsbeschrijving is niet doorslaggevend voor hetgeen is verzekerd. Bovendien waren op het moment van het aangaan van de verzekering de bij de molen behorende gebouwen nog niet tot bed and breakfast verbouwd. Ook het e-mailbericht van de heer [expert01] van ASR, door [gedaagde01] overgelegd als productie 4, leidt niet tot een ander oordeel. Niet duidelijk is waarom hij bij zijn taxatie de molen en het pakhuis buiten beschouwing laat. De rechtbank passeert dan ook het verweer van [gedaagde01] dat zij niet aansprakelijk is voor het van de vordering onderdeel uitmakende bedrag dat ASR volgens [gedaagde01] aan [eiser01] te weinig heeft betaald. Indien en voor zover daarvan al sprake zou zijn komt dat voor rekening en risico van [gedaagde01] .
€ 224.955,00toewijzen.
Het ontbreken van de milieuschadeverzekering
Ten behoeve van de MSV/aansprakelijkheid adviseur” ziet de factuur kennelijk ook op de onderhavige procedure. Die is dus niet gedekt onder de milieuschadeverzekering. De premie van € 1.884,17 die [eiser01] zou hebben moeten betalen als de milieuschadeverzekering wél was voortgezet moet in mindering gebracht worden op de vordering.
€ 162.817,18(€ 159.111,15 - € 1.884,17 + € 5.590,20).
€ 15.000,00toewijzen. [eiser01] heeft dit bedrag met een door zijn schade-expert opgemaakt overzicht onderbouwd.
€ 19.354,00.
€ 242.126,18.