ECLI:NL:RBZWB:2023:4681
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen DNA-afname bij veroordeling voor overtreding Opiumwet ongegrond verklaard
De veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA, stellende dat dit niet van belang zou zijn gezien de aard van het misdrijf en zijn jonge leeftijd. Hij werd veroordeeld voor medeplegen van overtreding van de Opiumwet en verzocht vernietiging van het afgenomen DNA-materiaal.
De rechtbank heeft het bezwaar op 1 juni 2023 behandeld in besloten raadkamer, waarbij de advocaat van de veroordeelde en de officier van justitie zijn gehoord. De veroordeelde zelf was niet aanwezig. De rechtbank oordeelt dat het misdrijf voldoet aan de criteria voor DNA-afname en dat DNA-onderzoek bij drugsmisdrijven juist van essentieel belang kan zijn voor opsporing en vervolging.
De rechtbank weegt mee dat de uitzonderingsgrond voor het niet afnemen van DNA alleen geldt wanneer het redelijkerwijs aannemelijk is dat het DNA-onderzoek niet van betekenis zal zijn, bijvoorbeeld bij geringe recidivekans of bijzondere omstandigheden zoals ernstige lichamelijke beperkingen. De jonge leeftijd van de veroordeelde vormt geen voldoende grond om het bezwaar toe te wijzen.
Daarom verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond en bevestigt het bevel tot DNA-afname. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afname en verwerking van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard.