Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van meervoudige verkrachting van aangeefster in de periode januari tot en met november 2020. De verdediging stelde dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat er onvoldoende steunbewijs was voor de aangifte. De officier van justitie baseerde zich op de aangifte, getuigenverklaringen en een gespreksverslag van een zorginstelling.
De rechtbank oordeelde dat ondanks een vormverzuim bij het verkrijgen van het gespreksverslag, de officier van justitie ontvankelijk bleef en het latere toegevoegde verslag als bewijs mocht worden gebruikt. Bij de beoordeling van het bewijs stelde de rechtbank vast dat de verklaring van aangeefster onvoldoende steun vond in ander bewijsmateriaal. Getuigenverklaringen waren gebaseerd op doorvertelde informatie en het gespreksverslag en WhatsApp-berichten boden geen concreet bewijs van verkrachting.
De rechtbank concludeerde dat het bewijs niet voldeed aan de bewijsminimumregel uit artikel 342 lid 2 Sv Pro en sprak verdachte vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering, die bij de burgerlijke rechter kan worden ingediend.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.