Art. 7 lid 1 sub b Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 3 lid 1 Verordening (EG) nr. 593/2008Art. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing vordering betaling door verstek in internationale incassoprocedure
Eiseres, een maatschap gevestigd in Nederland, vordert betaling van een bedrag van gedaagde, woonachtig in België. Gedaagde is ondanks behoorlijke dagvaarding niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De rechtbank bevestigt de Nederlandse rechterlijke bevoegdheid op grond van EU-verordening 1215/2012 omdat de dienst in Nederland wordt uitgevoerd.
De toepasselijkheid van Nederlands recht wordt vastgesteld op basis van de algemene voorwaarden van eiseres en Rome I-verordening. De vordering wordt inhoudelijk niet onrechtmatig of ongegrond geacht en daarom toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen omdat niet is aangetoond dat een betalingstermijn van 14 dagen in de aanmaning is gesteld, zoals vereist volgens artikel 6:96 lid 6 BWPro en jurisprudentie van de Hoge Raad.
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen indien gedaagde niet binnen 14 dagen na betekening betaalt. Nakosten worden voorwaardelijk toegewezen tot maximaal €62,00 conform landelijk beleid. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.098,08, wettelijke rente, proceskosten van €696,88 en nakosten onder voorwaarde van niet-betaling binnen de termijn. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €1.098,08, wettelijke rente en proceskosten, met voorwaardelijke toewijzing van nakosten.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Middelburg
zaak/rolnr.: 10253241 CV EXPL 22-3227
vonnis d.d. 25 januari 2023
inzake
de maatschap [eiseres],
gevestigd en kantoorhoudende te [adres] ,
eiseres,
gemachtigde: [naam] te [plaats] ,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonadres] ,
gedaagde,
niet verschenen.
1.Het verloop van het geding
De procesgang blijkt uit de dagvaarding van 9 november 2022 met producties en de stukken van betekening in België van 24 november 2022.
2.Het geschil en de beoordeling
2.1
Eiseres heeft op de bij dagvaarding omschreven gronden, welke hier als herhaald en ingelast gelden, gevorderd gedaagde te veroordelen tot betaling van het bedrag of de bedragen als nader in de dagvaarding omschreven, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten en nakosten.
2.2
Gedaagde is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter zitting verschenen en heeft ook niet tijdig een schriftelijk antwoord ingediend of om uitstel verzocht, zodat tegen deze verstek is verleend.
2.3
Nu eiseres is gevestigd in Nederland en gedaagde woonachtig is in België, draagt onderhavige procedure een internationaal karakter. Allereerst dient daarom de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 7 lid 1 subPro b (tweede streepje) van de in deze toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012. De Nederlandse rechter is bevoegd, aangezien de uitvoering van de dienst wordt verstrekt in Nederland.
2.4
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is welk recht op de onderhavige
vordering van toepassing is. De kantonrechter is van oordeel dat het Nederlandse recht op
grond van artikel VIII van de algemene voorwaarden van eiseres in samenhang met artikel
3 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 593/2008 (Rome I) op onderhavige vordering van
toepassing is.
2.5
Nu de vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal deze worden toegewezen, behoudens het volgende.
2.6
Eiseres maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan gedaagde een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BWPro .In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:
2016:2704.
2.7
De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen indien en voor zover gedaagde de proceskosten niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis zal hebben voldaan. Daarbij overweegt de kantonrechter dat gedaagde, indien deze door de betekening van het vonnis kennis heeft kunnen nemen van de inhoud daarvan, de gelegenheid moet worden geboden om binnen een redelijke termijn aan de proceskostenveroordeling in dit vonnis te voldoen, waarbij een termijn van veertien dagen als een redelijke termijn voor nakoming wordt gezien.
2.8
De gevorderde nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen, voor zover nakosten gemaakt zullen worden en gedaagde niet vrijwillig binnen veertien dagen na aanschrijving van eiseres aan de veroordeling in het vonnis heeft voldaan. De nakosten zullen worden begroot conform landelijk beleid tot een half salarispunt (met een maximum van € 124,00), zijnde een bedrag van € 62,00.
2.9
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze proceskosten worden tot op heden begroot op:
€ 115,88 explootkosten
€ 135,00 betekening buitenlands exploot
€ 124,00 salaris gemachtigde
€ 322,00 griffierecht
------------
€ 696,88
3.De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 1.098,08;
veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente over:
€ 160,45 vanaf 9 december 2021 tot 5 oktober 2022, zijnde € 2,65
€ 533,92 vanaf 7 januari 2022 tot 5 oktober 2022, zijnde € 7,96
€ 403,71 vanaf 1 juli 2022 tot 5 oktober 2022, zijnde € 2,15;
veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 696,88;
veroordeelt gedaagde onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door eiseres volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris voor de gemachtigde van eiseres;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ponds, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2023, in tegenwoordigheid van de griffier.