ECLI:NL:RBZWB:2023:4786
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering definitieve aanslag inkomstenbelasting 2020 wegens correcties loonheffing en eigenwoningforfait
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020, die was opgelegd na een voorlopige aanslag. De inspecteur had de definitieve aanslag gehandhaafd, ondanks een afwijking in de ingelezen loonheffing en het niet claimen van hypotheekrenteaftrek door belanghebbende.
De rechtbank oordeelt dat de definitieve aanslag terecht is opgelegd, omdat een voorlopige aanslag een schatting betreft en de definitieve aanslag hoger mag zijn. Wel acht de rechtbank het noodzakelijk de aanslag te verminderen vanwege een aanvullende aftrek eigen woning van € 926, die niet door belanghebbende was opgevoerd. Daarnaast wijst de rechtbank het beroep van de inspecteur op interne compensatie af, omdat de inspecteur eerder had toegezegd niet op bepaalde correcties terug te komen, waardoor het vertrouwensbeginsel en de goede procesorde in het geding zijn.
Uiteindelijk stelt de rechtbank het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op € 14.226, met een te verrekenen loonheffing van € 2.757. Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, en de definitieve aanslag verminderd. De inspecteur moet het griffierecht vergoeden. Belanghebbende wordt verwezen naar de ontvanger voor eventuele betalingsregelingen of kwijtschelding.
Uitkomst: De definitieve aanslag inkomstenbelasting 2020 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van € 14.226 met een te verrekenen loonheffing van € 2.757.