ECLI:NL:RBZWB:2023:4861

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juli 2023
Publicatiedatum
11 juli 2023
Zaaknummer
AWB- 23_1218
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen WGA-uitkering

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op bezwaar tegen een besluit over de WGA-uitkering. Nadat het UWV alsnog op bezwaar heeft beslist en het bezwaar gegrond heeft verklaard, heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank heeft het verzoek tot proceskostenvergoeding beoordeeld op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat het beroep is ingetrokken vanwege tegemoetkoming door het bestuursorgaan, kan de rechtbank het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van proceskosten voor de beroepsfase.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek kennelijk gegrond is en veroordeelt het UWV tot betaling van €418,50 aan proceskosten. Dit bedrag betreft het griffierecht en de kosten van de gemachtigde voor de beroepsfase. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het UWV verplicht is het betaalde griffierecht van €50,- te vergoeden op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €418,50 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/1218

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2023 in de zaak tussen

[naam verzoeker] , uit [plaatsnaam] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J.M. Voogt),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaar van 31 mei 2022 tegen het besluit van 20 april 2022 (primair besluit) waarin verweerder heeft besloten dat de loongerelateerde uitkering op grond van de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA), die onderdeel uitmaakt van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op 28 juli 2022 verandert in een WGA-vervolguitkering.
In het besluit van 4 mei 2023 heeft verweerder alsnog op het bezwaar beslist en het bezwaar gegrond verklaard.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij het eens is met dat verzoek.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
Bij het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen, daarom moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden en krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 418,50 omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 10 juli 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.