ECLI:NL:RBZWB:2023:4921

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juli 2023
Publicatiedatum
12 juli 2023
Zaaknummer
C/02/390495 / HA ZA 21-584 (E) en C/02/399845 / HA ZA 22-371 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Römers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:76 BWArt. 7:751 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:96 lid 2 onder b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdaannemer aansprakelijk voor waterschade door onderaannemer bij saneringswerkzaamheden

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een civiele zaak waarin de eigenaar van een bedrijfsruimte en een huurder schadevergoeding vorderden van een hoofdaannemer wegens waterschade tijdens asbestsanering. De hoofdaannemer had de saneringswerkzaamheden uitbesteed aan een onderaannemer.

De werkzaamheden vonden plaats op 11 en 12 juni 2019, waarbij op 12 juni regen viel en water via het openliggende dak de bedrijfsruimte binnendrong. De eisers stelden dat de hoofdaannemer aansprakelijk was wegens toerekenbare tekortkoming en onrechtmatige daad, omdat de onderaannemer ondanks waarschuwingen de werkzaamheden niet had uitgesteld of het dak afgedekt.

De rechtbank oordeelde dat de hoofdaannemer op grond van artikel 6:76 BW Pro en 7:751 BW aansprakelijk is voor het handelen van de onderaannemer. De exoneratieclausule in de offerte was onaanvaardbaar. De schadevergoeding wordt toegewezen, maar de omvang moet nog worden vastgesteld in een schadestaatprocedure. Daarnaast werd een voorschot op herstelkosten toegekend. De hoofdaannemer werd veroordeeld tot betaling van expertisekosten en proceskosten. De tegenvordering van de hoofdaannemer werd afgewezen wegens opschorting en verrekening. In een vrijwaringsprocedure werd de onderaannemer veroordeeld tot vergoeding van de hoofdaannemer.

Uitkomst: De hoofdaannemer is aansprakelijk voor de waterschade veroorzaakt door haar onderaannemer en moet schadevergoeding betalen, met verwijzing naar schadestaatprocedure.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken
Breda
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 12 juli 2023
in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/02/390495 / HA ZA 21-584 (hierna: de hoofdzaak) van

1.[naam 1] ,

wonende te [plaats 1] ,
2.
[naam 2]h.o.d.n.
[bedrijf 1],
kantoorhoudende te [plaats 1] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. P.E.A.M. Gerritse te Tilburg,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 2] BV,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.C.J. Houben te Eindhoven,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/02/399845 / HA ZA 22-371 (hierna: de vrijwaringszaak) van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 2] BV,
gevestigd te [plaats 2] ,
eiseres,
advocaat mr. M.C.J. Houben te Eindhoven,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 3] BV,
gevestigd te [plaats 3] ,
gedaagde,
advocaat mr. T. Segers te 's-Hertogenbosch.
Partijen in de hoofdzaak zullen hierna respectievelijk [naam 1] , [naam 2] en [bedrijf 2] worden genoemd.
Partijen in de vrijwaringszaak zullen hierna respectievelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 3] worden genoemd.

1.De procedure in de hoofdzaak,

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 8 juni 2022 en de daarin genoemde stukken,
– de conclusie van antwoord in reconventie,
– de conclusie vermeerdering van eis in conventie tevens houdende akte overlegging
producties 20 tot en met 29,
– de spreekaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling van
mr. K.M.J. Wartena namens [bedrijf 2] ,
– de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 24 mei 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 28 september 2022 en de daarin genoemde stukken,
– de spreekaantekeningen ten behoeve van de mondelinge behandeling van
mr. T. Segers namens [bedrijf 3] ,
– de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 24 mei 2023.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

3.1.
Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:
– [naam 1] is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan [adres 1] en [adres 2] te [plaats 1] . Het betreft een woning, waarin [naam 1] woonachtig is, en een bedrijfsruimte, die [naam 1] verhuurt aan [naam 2] . [naam 2] exploiteert in de bedrijfsruimte een autoschadeherstelbedrijf.
– [naam 1] heeft aan [bedrijf 2] opdracht gegeven tot het verwijderen van het asbesthoudend dak van de bedrijfsruimte (400 m2 golfplaten).
– De aan de opdracht ten grondslag liggende offerte van 9 april 2019, die door [naam 1] is geaccepteerd, luidt – voor zover van belang – als volgt:
De uit te voeren werkzaamheden zijnexclusief:
* Afkoppelen NUTS
* Beschermende voorzieningen aanbrengen
De bovengenoemde werkzaamheden kunnen wij voor u uitvoeren voor een bedrag van
€ 5.600,- excl. B.T.W.
NB Bij het verwijderen van golfplaten c.q. andere vormen van dak- of wandbedekking gaan wij ervan uit dat de gebruik(st)er(s) c.q. bewo(o)n(st)er(s) van het pand zelf zorg drag(a)g(t)en voor het afzeilen van het dak of de wand. Wij kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade ten gevolge van het niet afzeilen van de ontstane openingen (water en/of stormschade) en schade die door de aard van de werkzaamheden niet is te voorkomen.
De te saneren onderliggende ruimtes dienen leeg en veegschoon te worden aangeleverd.
Uitgangspunt is dat er onder de golfplaten geen plafonds, spinnenwebben, isolatie aanwezig is en spuitschoon (ook gordingen). Dit i.v.m. de vrijgave, indien wel dan wordt de isolatie tegen meerprijs verwijderd, (…)”.
– [naam 1] heeft de vennootschap [bedrijf 4] vof (hierna: [bedrijf 4] ) opdracht gegeven om de bedrijfsruimte te voorzien van een nieuw dak, nadat het asbesthoudend dak is verwijderd.
– Op 11 juni 2019 heeft [bedrijf 3] , die door [bedrijf 2] als onderaannemer was ingeschakeld, een deel van het asbesthoudend dak van de bedrijfsruimte verwijderd. Daar waar de saneringswerkzaamheden waren uitgevoerd, heeft [bedrijf 4] diezelfde avond de bedrijfsruimte van een nieuw dak voorzien.
– Op 12 juni 2019, rond 08.00 uur, heeft [bedrijf 3] de saneringswerkzaamheden voortgezet. [bedrijf 3] heeft haar werkzaamheden rond 13.00 uur afgerond. Door regenval tijdens die werkzaamheden, met een neerslagpiek rond 09.00 uur, is regenwater door het openliggende dak de bedrijfsruimte ingestroomd.
– [naam 1] heeft [bedrijf 2] aansprakelijk gesteld voor (water)schade die op 12 juni 2019 tijdens de uitvoering van de opgedragen saneringswerkzaamheden is ontstaan aan de bedrijfsruimte en de daarin aanwezige inventaris en voorraad van [naam 2] . [bedrijf 2] heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen.
– Bij factuur van 14 juni 2019 heeft [bedrijf 2] bij [naam 1] een bedrag van € 5.950,= ex BTW in rekening gebracht voor het saneren van 400 m2 asbest golfplaten en meerwerk (verwijderen 70 m2 glaswol). [naam 1] heeft de factuur onbetaald gelaten met een beroep op opschorting en verrekening.

4.Het geschil in de hoofdzaak

in conventie

4.1.
[naam 1] en [naam 2] vorderen na vermeerdering van eis, samengevat:
I. dat de rechtbank vaststelt dat [bedrijf 2] jegens [naam 1] en [naam 2] schadeplichtig is op grond van toerekenbare tekortkoming respectievelijk onrechtmatige daad,
II. veroordeling van [bedrijf 2] tot betaling van € 19.846,17 aan [naam 1] en € 61.607,21 aan [naam 2] , vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
4.2.
[naam 1] en [naam 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [bedrijf 2] althans de door haar ingeschakelde onderaannemer bij de uitvoering van de saneringswerkzaamheden op 12 juni 2019 niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden en dat [bedrijf 2] voor vergoeding van die schade aansprakelijk is.
4.3.
[bedrijf 2] voert verweer en concludeert [naam 1] en [naam 2] in hun vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen af te wijzen, met veroordeling van [naam 1] en [naam 2] in de kosten, vermeerderd met wettelijke rente.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling – voor zover van belang – nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
[bedrijf 2] vordert – samengevat – veroordeling van [naam 1] tot betaling van € 5.950,= ex BTW, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
4.6.
[bedrijf 2] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in opdracht en voor rekening van [naam 1] saneringswerkzaamheden en meerwerk heeft uitgevoerd, dat zij daarvoor een bedrag van € 5.600,= ex BTW respectievelijk
€ 350,= ex BTW met [naam 1] is overeengekomen, dat zij voor de uitgevoerde werkzaamheden de factuur van 14 juni 2019 aan [naam 1] heeft toegezonden en dat [naam 1] die factuur ten onrechte onbetaald heeft gelaten. [bedrijf 2] stelt dat [naam 1] vanaf 13 juli 2019 met betaling in verzuim verkeert en dat zij daarom vanaf die datum aanspraak kan maken op wettelijke handelsrente over het gevorderde.
4.7.
[naam 1] voert verweer en concludeert [bedrijf 2] in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren, althans de vordering af te wijzen, met veroordeling van [bedrijf 2] in de kosten.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling – voor zover van belang – nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
4.9.
[bedrijf 2] vordert – samengevat – dat [bedrijf 3] wordt veroordeeld om aan haar te betalen al hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [bedrijf 3] in de kosten.
4.10.
[bedrijf 2] stelt dat zij als hoofdaannemer de aannemingsovereenkomst met [naam 1] heeft gesloten. De feitelijke uitvoering van de opgedragen saneringswerkzaamheden heeft zij uitbesteed aan [bedrijf 3] als onderaannemer. Mocht in de hoofdzaak worden geoordeeld dat zij aansprakelijk is voor vergoeding van schade als gevolg van toerekenbaar tekortschietend en/of onrechtmatig handelen bij de uitvoering van de saneringswerkzaamheden, dan is [bedrijf 3] jegens haar toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van onderaanneming en op grond daarvan jegens haar schadeplichtig.
4.11.
[bedrijf 3] voert een verweer dat in de kern gelijk is aan het verweer dat [bedrijf 2] in de hoofdzaak voert. [bedrijf 3] concludeert [bedrijf 2] niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans de vordering af te wijzen, met veroordeling van [bedrijf 2] in de kosten.
4.12.
Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling – voor zover van belang – nader ingegaan.

5.De beoordeling

in de hoofdzaak
in conventie
5.1.
De vordering strekt tot vergoeding van schade die [naam 1] en [naam 2] stellen te hebben geleden doordat regenwater tijdens het uitvoeren van de saneringswerkzaamheden op 12 juni 2019 door het openliggende dak de bedrijfsruimte is ingestroomd. [naam 1] en [naam 2] houden [bedrijf 2] aansprakelijk voor de schade.
5.2.
Niet ter discussie staat dat [bedrijf 2] de saneringswerkzaamheden in onderaanneming heeft uitbesteed aan [bedrijf 3] . Op grond van artikel 6:76 BW Pro en artikel 7:751 BW Pro is [bedrijf 2] op gelijke wijze aansprakelijk voor gedragingen van [bedrijf 3] als zij voor haar eigen gedragingen aansprakelijk is. [bedrijf 3] is ter zitting als informant gehoord over de feitelijke toedracht van de zaak. Haar verklaring kan als een verklaring van [bedrijf 2] worden aangemerkt.
5.3.
Vooropgesteld wordt dat als een (onder)aannemer een dak verwijdert, zoals in het onderhavige geval, het risico op waterschade bij regen evident is. Het is daarom in beginsel aan de (onder)aannemer om daartegen maatregelen te treffen. Welke maatregelen van de (onder)aannemer kunnen worden gevergd, is afhankelijk van wat partijen over en weer zijn overeengekomen en van elkaar mochten verwachten.
5.4.
[bedrijf 2] stelt dat zij ervan uit mocht gaan dat de saneringswerkzaamheden ook tijdens eventuele regenval konden plaatsvinden, omdat op basis van de gemaakte afspraken [naam 1] ervoor zou zorgen dat zijn bedrijfspand zou zijn beschermd tegen regen gedurende de tijd dat het te saneren dak verwijderd c.q. opengebroken was. [bedrijf 2] verwijst in dat verband naar de exoneratieclausule in de offerte van 9 april 2019 en stelt dat zij daarom voor eventuele waterschade niet aansprakelijk is.
5.5.
[naam 1] en [naam 2] stellen dat het bedrijfspand was beschermd tegen regen op 12 juni 2019. Daar waar de dag ervoor saneringswerkzaamheden waren uitgevoerd, had [bedrijf 4] de bedrijfsruimte van een nieuw dak voorzien. Voorts waren de ventilatiekanalen deugdelijk met zeil afgedekt. Het volledig leeghalen van het bedrijfspand was niet mogelijk. Voordat [bedrijf 2] , althans (naar later bleek) [bedrijf 3] op 12 juni 2019 met de vervolgwerkzaamheden een aanvang nam, is [bedrijf 3] door hen en [bedrijf 4] gewaarschuwd voor de voor die dag voorspelde hevige regenval en is [bedrijf 3] met klem verzocht de werkzaamheden uit te stellen. [bedrijf 3] negeerde de waarschuwing c.q. het verzoek met de mededeling dat zij was gebonden aan een planning. Hoewel [bedrijf 3] wist dat zich in de bedrijfsruimte een schadeherstelwerkplaats bevond, is zij in de regen begonnen met de werkzaamheden en heeft zij ook aan de sommatie om daarmee te stoppen en het inmiddels openliggende dak af te dekken geen gevolg gegeven. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar de overgelegde verklaringen van de heren [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . [naam 1] en [naam 2] stellen dat [bedrijf 3] door zo te handelen haar zorgplicht jegens hen heeft geschonden, hetgeen aan [bedrijf 2] kan worden toegerekend.
5.6.
[bedrijf 2] betwist dat zij, althans [bedrijf 3] is gewaarschuwd voor voorspelde regen op 12 juni 2019 en dat is verzocht om de saneringswerkzaamheden uit te stellen. [bedrijf 2] stelt dat zowel [naam 1] als [naam 2] doorlopend hebben aangedrongen op het doorgang laten vinden van de werkzaamheden, zodat [naam 2] de gemaakte afspraken met zijn klanten zou kunnen nakomen. Aan dat uitdrukkelijke verzoek is gevolg gegeven.
5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven het antwoord op de vraag of [bedrijf 2] , althans [bedrijf 3] voorafgaand aan het uitvoeren van de saneringswerkzaamheden op 12 juni 2019 is gewaarschuwd voor de voorspelde hevige regenval die dag. [bedrijf 2] moet als opdrachtnemer jegens haar opdrachtgever zorgvuldig handelen, ongeacht of zij door haar opdrachtgever is gewaarschuwd voor (in dit geval) voorspelde regen. Het is aan [bedrijf 2] , althans aan de door haar ingeschakelde onderaannemer om voorafgaand aan het uitvoeren van de opgedragen werkzaamheden na te gaan welke maatregelen moeten worden getroffen om schade door het werk te voorkomen. Gezien de opgedragen werkzaamheden (het verwijderen van het asbesthoudend dak van de bedrijfsruimte, waarbij het risico op waterschade bij regen evident is) valt daaronder in het onderhavige geval ook het raadplegen van weerberichten en het bezien of voldoende tegen regenwater beschermende maatregelen zijn getroffen.
5.8.
Niet bestreden is dat [bedrijf 3] op 11 juni 2019 de schadeherstelwerkplaats van [naam 2] heeft bezocht. [bedrijf 3] heeft dus kunnen constateren dat het bedrijfspand niet leeg stond en dat er geen afdoende regenvalbescherming was aangebracht onder of boven het te saneren dakgedeelte. [naam 1] en [naam 2] hebben voldoende onderbouwd dat uit het weerbericht van 12 juni 2019 bleek dat er tussen 07.30 en 13.30 uur ter plaatse van het werk een hevige regenbui zou optreden. Naar eigen zeggen van [bedrijf 3] ter zitting kunnen de saneringswerkzaamheden niet ineens worden gestopt als eenmaal het dak is opengebroken. Niet bestreden is dat het al licht regende op het moment dat [bedrijf 3] met de werkzaamheden op 12 juni 2019 wilde beginnen. Al deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat van [bedrijf 3] mocht worden verwacht dat zij de werkzaamheden zou uitstellen tot het moment dat gedurende de voor de uitvoering van de werkzaamheden benodigde periode geen regen werd verwacht dan wel in ieder geval tot het moment dat maatregelen zouden zijn getroffen om waterschade aan het bedrijfspand en de daarin aanwezige zaken door regenval te voorkomen. Door de werkzaamheden in de gegeven omstandigheden door te zetten, heeft [bedrijf 3] niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. Aan de stelling dat [naam 1] en [naam 2] hebben aangedrongen tot het (desondanks) doorzetten van de werkzaamheden, wordt voorbij gegaan. Deze stelling is onvoldoende feitelijk onderbouwd bezien in het licht van hetgeen [naam 1] en [naam 2] in dit kader hebben gesteld en middels de door hen overgelegde getuigenverklaringen hebben onderbouwd. Anders dan [bedrijf 2] betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de authenticiteit en juistheid van die verklaringen te twijfelen.
5.9.
Geconcludeerd wordt dat [bedrijf 3] de saneringswerkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd, waarmee zij ook de door haar in acht te nemen belangen van [naam 2] bij een behoorlijke nakoming van de (onder)aannemingsovereenkomst heeft verwaarloosd. Dit komt voor rekening en risico van [bedrijf 2] , die [bedrijf 3] als onderaannemer voor de uitvoering van de werkzaamheden heeft ingeschakeld. [bedrijf 2] is daarom toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst met [naam 1] en heeft onrechtmatig gehandeld jegens [naam 2] . De onder I. gevorderde verklaring voor recht ligt daarmee voor toewijzing gereed.
5.10.
Nu vast staat dat [bedrijf 2] toerekenbaar tekortschietend en onrechtmatig heeft gehandeld, is zij aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige situatie, waarin de zorgplicht is geschonden, het beroep van [bedrijf 2] op de contractuele bepaling die haar aansprakelijkheid uitsluit (de exoneratieclausule in de offerte van 9 april 2019) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
5.11.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [naam 1] en [naam 2] voldoende gemotiveerd gesteld dat zij schade hebben geleden door het toerekenbaar tekortschietend en onrechtmatig handelen van [bedrijf 2] . Aan de orde is thans de vraag wat de omvang van die schade is.
5.12.
[naam 1] en [naam 2] stellen dat hun schade bestaat uit de volgende schadeposten:
a. kosten voor het herstel c.q. vervangen van eigendommen
b. wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW
c. buitengerechtelijke kosten
d. expertisekosten
e. kosten voor rechtsbijstand
ad a. kosten voor het herstel c.q. vervangen van eigendommen
5.13.
[naam 1] en [naam 2] hebben hun schade begroot op € 9.825,= respectievelijk € 45.934,05. Ter onderbouwing van deze bedragen hebben zij verwezen naar het rapport van [bedrijf 5] in aansprakelijkheid en mediation (hierna: [bedrijf 5] ), die in opdracht van [naam 1] de schade heeft beoordeeld en de omvang daarvan heeft vastgesteld.
5.14.
Naar het oordeel van de rechtbank betoogt [bedrijf 2] terecht dat de omvang van de schade niet uit het rapport van [bedrijf 5] kan worden afgeleid. Zo wordt onder meer in het rapport niet beschreven waaruit de herstelkosten concreet bestaan en wordt niet inzichtelijk gemaakt hoe de dagwaarde van de beschadigde zaken ten opzichte van de nieuwwaarde van deze zaken is berekend. De door [bedrijf 5] in haar rapport vastgestelde omvang van de schade van [naam 1] van € 9.825,= en van [naam 2] van € 45.934,05 is onvoldoende onderbouwd en daarmee niet controleerbaar.
5.15.
De schadegevolgen staan dus nog niet vast. [bedrijf 2] en [naam 2] hebben onvoldoende feitelijke gegevens aangereikt om de omvang van de ieder door hen geleden schade te kunnen begroten, terwijl wel aannemelijk is dat het toerekenbaar tekortschietend en onrechtmatig handelen van [bedrijf 2] schade heeft veroorzaakt. De rechtbank ziet daarom aanleiding om [bedrijf 2] te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en de zaak, ambtshalve, te verwijzen naar de schadestaat. In de schadestaatprocedure hebben [bedrijf 2] en [naam 2] dan de gelegenheid om alsnog alle voor de begroting van de schade relevante informatie over te leggen.
5.16.
[naam 1] heeft als productie 19 een ‘Prijsopgave herstel schilderwerk volgens opname’ van [bedrijf 6] van 21 oktober 2019 overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam 1] daarmee voldoende onderbouwd dat met het herstel van het schilderwerk van de bedrijfsruimte een bedrag van € 5.789,50 ex BTW is gemoeid. Anders dan [bedrijf 2] betoogt, is rechtens niet relevant of de betreffende herstelwerkzaamheden inmiddels ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Dit bedrag komt daarom als voorschot op de later in de schadestaatprocedure nog vast te stellen schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking.
5.17.
De rechtbank verwerpt het beroep van [bedrijf 2] op schadebeperking. Onder de gegeven omstandigheden, zoals hiervoor onder 5.8. omschreven, kan aan [naam 1] niet worden tegengeworpen dat er in de visie van [bedrijf 2] geen voldoende tegen regenwater beschermende maatregelen waren getroffen. [naam 1] hoefde niet te verwachten dat de saneringswerkzaamheden zouden worden doorgezet, terwijl bovendien niet aannemelijk is geworden dat hij op het doorzetten van de werkzaamheden, ondanks de (voorspelde) regen heeft aangedrongen.
ad b. wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW
5.18.
[naam 1] en [naam 2] vorderen vanaf 12 juni 2019 wettelijke handelsrente over de hoofdsom. Naar het oordeel van de rechtbank voert [bedrijf 2] een terecht verweer tegen de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente. De toe te wijzen verbintenis tot schadevergoeding is niet gebaseerd op een handelsovereenkomst als vermeld in artikel 6:119a BW. Daarom zal vanaf 12 juni 2019 de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro worden toegewezen over de toe te wijzen schadevergoeding.
ad c. buitengerechtelijke kosten
5.19.
[naam 1] en [naam 2] maken aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [bedrijf 2] betwist de verschuldigdheid van die kosten.
5.20.
De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [naam 1] en [naam 2] onvoldoende gesteld en is ook niet gebleken dat zij andere werkzaamheden hebben verricht dan die waarvoor de in de artikelen 237 Rv tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
ad. d. expertisekosten
5.21.
Het onderzoek door [bedrijf 5] is verricht om (de omvang van) de schade van [naam 1] en [naam 2] vast te stellen. Op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro b BW moet [bedrijf 2] de daarvoor gemaakte redelijke kosten aan [naam 1] en [naam 2] vergoeden. Het gevorderde bedrag van € 1.080,= ex BTW ligt daarom voor toewijzing gereed.
ad e. kosten voor rechtsbijstand
5.22.
De regeling over de forfaitaire proceskostenvergoeding uit de artikelen 237 Rv tot en met 240 Rv bevat, behoudens bijzondere omstandigheden, een limitatieve en exclusieve regeling van kosten waarin een partij die in het ongelijk wordt gesteld kan worden veroordeeld. Een uitzondering op deze regel is denkbaar in buitengewone omstandigheden, maar dergelijke omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken. De bij akte vermeerdering van eis gevorderde kosten van rechtsbijstand komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Voor vergoeding van de kosten zal worden aangeknoopt bij de forfaitaire tarieven.
proceskosten
5.23.
[bedrijf 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [naam 1] en [naam 2] , zoals hierna in de beslissing vermeld.
5.24.
De door [naam 1] en [naam 2] gevorderde nakosten zijn in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten worden daarom toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.
5.25.
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten (inclusief nakosten) en de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal als niet weersproken worden toegewezen.
in reconventie
5.26.
Als niet weersproken staat tussen partijen vast dat [bedrijf 2] de met [naam 1] overeengekomen saneringswerkzaamheden en meerwerk heeft uitgevoerd en dat [bedrijf 2] met [naam 1] daarvoor een bedrag van € 5.600,= ex BTW respectievelijk € 350,= ex BTW is overeengekomen. [naam 1] zal daarom de factuur van 14 juni 2019 als tegenprestatie voor de uitgevoerde werkzaamheden nog aan [bedrijf 2] moeten voldoen. De vordering van [bedrijf 2] is daarom in beginsel toewijsbaar, behoudens het hierna nog te bespreken beroep van [naam 1] op verrekening.
5.27.
[naam 1] heeft met een beroep op opschorting en verrekening de factuur van 14 juni 2019 onbetaald gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is dat beroep gerechtvaardigd en is [naam 1] daarom met betaling van die factuur niet in verzuim komen te verkeren. Vast is komen staan dat [naam 1] een tegenvordering heeft op [bedrijf 2] uit hoofde van schadevergoeding. Zeker is dat deze vordering, nadat de volledige omvang daarvan in de schadestaatprocedure is vastgesteld, de vordering van [bedrijf 2] van € 5.950,= ex BTW zal overtreffen. [naam 1] is daarom bevoegd zijn tegenvordering uit hoofde van schadevergoeding (nader op te maken bij staat) tot het gevorderde bedrag van
€ 5.950,= ex BTW te verrekenen, nu de vorderingen van partijen uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien. De vordering van [bedrijf 2] komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking en zal worden afgewezen.
5.28.
[bedrijf 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [naam 1] , zoals hierna in de beslissing vermeld. De gevorderde nakosten zullen in de beslissing in reconventie worden begroot op nihil, omdat deze bij de proceskostenveroordeling in conventie worden meegenomen.
in de vrijwaringszaak
5.29.
In de hoofdzaak is komen vast te staan dat [bedrijf 2] aansprakelijk is voor vergoeding van schade als gevolg van toerekenbaar tekortschietend en onrechtmatig handelen bij de uitvoering van de saneringswerkzaamheden, die [bedrijf 2] in onderaanneming heeft uitbesteed aan [bedrijf 3] . Niet bestreden is dat dit tot de conclusie leidt dat [bedrijf 3] jegens [bedrijf 2] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de onderaannemingsovereenkomst en daarom aansprakelijk is voor de schade die [bedrijf 2] daardoor lijdt. De rechtbank is daarom van oordeel dat [bedrijf 3] [bedrijf 2] moet vrijwaren. De vordering wordt daarom toegewezen.
5.30.
[bedrijf 3] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van [bedrijf 2] , zoals hierna in de beslissing vermeld.
5.31.
De gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal als niet weersproken worden toegewezen.

6.De beslissing

De rechtbank
in de hoofdzaak
in conventie
6.1.
verklaart voor recht dat [bedrijf 2] jegens [naam 1] en [naam 2] schadeplichtig is op grond van toerekenbare tekortkoming respectievelijk onrechtmatige daad,
6.2.
veroordeelt [bedrijf 2] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [naam 1] te betalen als voorschot op de nog vast te stellen schadevergoeding een bedrag van € 5.789,50 ex BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 12 juni 2019 tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [bedrijf 2] tot vergoeding van schade die [naam 1] en [naam 2] hebben geleden door het toerekenbaar tekortschietend respectievelijk onrechtmatig handelen van [bedrijf 2] , welke schadevergoeding is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en verwijst de zaak daarvoor naar de schadestaatprocedure,
6.4.
veroordeelt [bedrijf 2] tot betaling aan [naam 1] en [naam 2] samen een bedrag van € 1.080,= ex BTW met betrekking tot expertisekosten,
6.5.
veroordeelt [bedrijf 2] in de proceskosten (inclusief nakosten) van [naam 1] en [naam 2] , tot op heden begroot op € 2.337,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis betekend, dan moet [bedrijf 2] € 90,= extra betalen aan salaris advocaat en de kosten van betekening,
6.6.
veroordeelt [bedrijf 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten, indien deze kosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.7.
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.9.
wijst de vordering af,
6.10.
veroordeelt [bedrijf 2] in de proceskosten (inclusief nakosten) van [naam 1] en [naam 2] , tot op heden begroot op € 508,=, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in de vrijwaringszaak
6.11.
veroordeelt [bedrijf 3] om aan [bedrijf 2] te betalen al hetgeen waartoe [bedrijf 2] als gedaagde in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan eisers in de hoofdzaak ( met zaaknummer / rolnummer C/02/390495 / HA ZA 21-584) te betalen,
6.12.
veroordeelt [bedrijf 3] in de proceskosten (inclusief nakosten) van [bedrijf 2] , tot op heden begroot op € 2.160,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis betekend, dan moet [bedrijf 3] € 90,= extra betalen aan salaris advocaat en de kosten van betekening,
6.13.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2023.