Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[naam 1] ,
[naam 2]h.o.d.n.
[bedrijf 1],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een civiele zaak waarin de eigenaar van een bedrijfsruimte en een huurder schadevergoeding vorderden van een hoofdaannemer wegens waterschade tijdens asbestsanering. De hoofdaannemer had de saneringswerkzaamheden uitbesteed aan een onderaannemer.
De werkzaamheden vonden plaats op 11 en 12 juni 2019, waarbij op 12 juni regen viel en water via het openliggende dak de bedrijfsruimte binnendrong. De eisers stelden dat de hoofdaannemer aansprakelijk was wegens toerekenbare tekortkoming en onrechtmatige daad, omdat de onderaannemer ondanks waarschuwingen de werkzaamheden niet had uitgesteld of het dak afgedekt.
De rechtbank oordeelde dat de hoofdaannemer op grond van artikel 6:76 BW Pro en 7:751 BW aansprakelijk is voor het handelen van de onderaannemer. De exoneratieclausule in de offerte was onaanvaardbaar. De schadevergoeding wordt toegewezen, maar de omvang moet nog worden vastgesteld in een schadestaatprocedure. Daarnaast werd een voorschot op herstelkosten toegekend. De hoofdaannemer werd veroordeeld tot betaling van expertisekosten en proceskosten. De tegenvordering van de hoofdaannemer werd afgewezen wegens opschorting en verrekening. In een vrijwaringsprocedure werd de onderaannemer veroordeeld tot vergoeding van de hoofdaannemer.
Uitkomst: De hoofdaannemer is aansprakelijk voor de waterschade veroorzaakt door haar onderaannemer en moet schadevergoeding betalen, met verwijzing naar schadestaatprocedure.