ECLI:NL:RBZWB:2023:501

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 januari 2023
Publicatiedatum
30 januari 2023
Zaaknummer
02/997511-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring officier van justitie wegens procesafspraken en termijnoverschrijding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 10 januari 2023 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van verduistering, valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie. De officier van justitie en de verdediging hadden procesafspraken gemaakt waarbij het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou worden verklaard in de vervolging.

Tijdens de zitting verklaarde verdachte zich bewust van de rechtsgevolgen en stemde vrijwillig in met het voorstel. De rechtbank overwoog dat het Openbaar Ministerie een ruime beleidsvrijheid heeft om vervolging al dan niet voort te zetten, maar dat deze vrijheid kan vervallen na aanvang van de behandeling.

Gezien het lange tijdsverloop van negen tot elf jaar sinds aanvang van de vervolging, het omvangrijke dossier en het beperkte strafvorderlijke belang, achtte de rechtbank verdere vervolging niet opportuun. Ook het preventieve effect van de dreiging werd meegewogen. De rechtbank verklaarde daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte wegens procesafspraken en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/997511-12
vonnis van de meervoudige kamer van 24 januari 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 januari 2023, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Koopmans, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
1. feitelijk leiding heeft gegeven aan het) samen met anderen wegnemen van een grote hoeveelheid plantaardige olie, dan wel dit (in dienstbetrekking) heeft verduisterd, dan wel er een gewoonte van heeft gemaakt dit te helen;
2. ( feitelijk leiding heeft gegeven aan het) samen met anderen als echt en onvervalst gebruiken of doen gebruiken van geschriften;
3. ( feitelijk leiding heeft gegeven aan het) samen met anderen opzettelijk valse of vervalste bedrijfsadministratie bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen voorhanden heeft gehad;
4. heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat zij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, gelet op de gemaakte procesafspraken.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, gelet op die gemaakte procesafspraken eveneens verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie en met instemming van verdachte, overeenstemming is bereikt over de afdoening van de zaak door middel van een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.
Deze procesafspraken houden het volgende in:
“In de zaken tegen [verdachte] en (..) zal ik requireren tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Indien uw rechtbank dit volgt zal dit voor de heer [verdachte] de einduitspraak zijn overeenkomstig zijn broer [naam] (..)
Zowel verdachten als OM zien af van hoger beroep.
Verdachten doen voorts afstand van hun recht om na de vonnissen waarin de niet-ontvankelijkheid is uitgesproken een verzoek ex. artikel 530 Sv Pro in te dienen tot vergoeding van de advocaatkosten en/of eerder ondergane hechtenis.
Eventueel nog resterend beslag op geld of goederen of anderszins zal opgeheven. (..) Officier van Justitie”
Verdachte heeft ter zitting verklaard te begrijpen wat de afspraken inhouden en dat hij bewust is van de rechtsgevolgen daarvan.
De rechtbank stelt vast dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel.
De rechtbank overweegt voorts dat in het stelsel van strafvordering het Openbaar Ministerie een grote mate van beleidsvrijheid heeft verdachten al dan niet (verder) te vervolgen. Die vrijheid vervalt indien de behandeling ter zitting is aangevangen. Dat neemt niet weg dat door de rechtbank gewicht kan worden toegekend aan het standpunt van het Openbaar Ministerie dat zij in haar vervolging niet ontvankelijk verklaard dient te worden, zeker als dat het gevolg is van nadien opgetreden omstandigheden of voortschrijdend inzicht dat vervolging niet (meer) opportuun is. Tot die omstandigheden behoren in dit geval het tijdsverloop van negen tot elf jaar nadat de vervolging is aangevangen en een tijdsverloop van ruim drie jaar nadat de zaak voor het eerst op zitting is aangebracht. Voorts neemt de rechtbank in overweging dat het Openbaar Ministerie en verdachte procesafspraken hebben gemaakt waarvan de inhoud niet in strijd is met het recht.
Ook heeft de rechtbank geconstateerd dat nadat de vervolging is aangevangen geen veroordelingen of verdenkingen op de justitiële documentatie van verdachte voorkomen. In dat verband merkt de rechtbank op dat het heel goed kan dat het strafrecht in deze zaak door haar jarenlange dreiging al het nodige preventieve effect heeft gehad. Verdere vervolging heeft daarom nog maar een beperkt strafvorderlijk belang gelet ook op de aard van de verdenking en bij bewezenverklaring nog mogelijk zinvol op te leggen sanctie.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat sinds enkele jaren het Openbaar Ministerie in vele (reeds aanhangige) zaken haar niet-ontvankelijkheid vordert in verband met overschrijding van de redelijk termijn die in veel gevallen wordt toegewezen. Algemeen bekend is dat capaciteitsgebrek bij zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank daarvan de oorzaak zijn. Berechting van een omvangrijke zaak als deze (ongeveer dertienduizend pagina’s) gaat daarom mogelijk ten koste van heel veel andere zaken waarbij anders dan bij een zaak als deze nog wel veel potentieel strafvorderlijk belang aanwezig is.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt het voorgaande in deze zaak mee dat enig te respecteren strafvorderlijk belang bij voortzetting van de vervolging is komen te ontvallen en wel zodanig dat zij, zoals ook door de officier van justitie en de verdediging is betoogd, de officier van justitie in de vervolging van verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren.

4.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart
de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolgingvan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter, mr. E.B. Prenger en mr. J.C. Gillesse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 januari 2023.
Mr. Sterk, mr. Gillesse en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.