Uitspraak
[belanghebbende01],
2.
[belanghebbende02],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze bodemzaak vordert eiser, een verhuurder, de ontbinding van de huurovereenkomst met gedaagde partijen wegens een aanzienlijke huurachterstand die is opgelopen tot € 17.281,59 tot en met juni 2023. Tevens vordert eiser betaling van rente, buitengerechtelijke incassokosten, gebruiksvergoeding en schadevergoeding, alsmede ontruiming van het gehuurde.
De gedaagde partijen, vertegenwoordigd door een bewindvoerder, erkennen de huurachterstand maar verzoeken om een ruimere ontruimingstermijn vanwege de aanwezigheid van twee minderjarige kinderen en een andere minderjarige inwonende familielid in de woning. De kantonrechter constateert dat de huurachterstand een ernstige tekortkoming vormt en dat ontbinding gerechtvaardigd is op grond van artikel 6:265 BW Pro.
Gezien het belang van de minderjarige kinderen wordt een ontruimingstermijn van twee maanden na betekening van het vonnis vastgesteld. De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, terwijl contractuele rente niet is gespecificeerd en daarom niet wordt toegewezen. De vordering tot schadevergoeding wordt beperkt tot de huurtermijnen zonder wettelijke huurverhoging na ontbinding.
De kantonrechter veroordeelt de bewindvoerder tot betaling van de achterstallige huur, incassokosten, gebruiksvergoeding en schadevergoeding, en tot ontruiming binnen twee maanden. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van eiser vastgesteld en toegewezen.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en ontruiming binnen twee maanden opgelegd met betaling van achterstallige huur en bijkomende kosten.