Belanghebbende kreeg een verzuimboete van €5.278 opgelegd voor het niet tijdig indienen van de IB/PVV-aangifte over 2017, waarbij sprake was van stelselmatig verzuim sinds 2014. Ondanks herinneringen en aanmaningen werd de aangifte pas in maart 2020 ingediend. Belanghebbende stelde dat haar chronische ziekte en stress haar verhinderden tijdig te voldoen en dat zij vertrouwde op haar accountant die de aangiften zou verzorgen.
De inspecteur matigde de boete al tot €3.000 vanwege financiële omstandigheden, maar belanghebbende vond dit onvoldoende. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende weliswaar stelselmatig verzuimde, maar dat de boete gezien haar financiële situatie en het feit dat ook haar echtgenoot en zoon boetes kregen, te hoog was. Tevens werd rekening gehouden met haar inspanningen om de achterstallige aangiften alsnog te doen.
Daarnaast werd de boete verminderd vanwege een overschrijding van bijna twee jaar van de redelijke termijn waarbinnen de zaak behandeld had moeten worden. De rechtbank besloot de boete te verlagen tot €850, verklaarde het beroep gegrond, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.