Op 11 mei 2022 werd verdachte samen met twee medeverdachten aangehouden in een busje waarin in totaal €35.345,35 aan contant geld werd aangetroffen. Van dit bedrag werd €8.000 toegerekend aan verdachte. Verdachte verklaarde dat het geld afkomstig was van opnames van zijn Franse en Marokkaanse bankrekeningen en een lening van zijn neef, maar zijn verklaringen en de aangeleverde bewijsstukken waren tegenstrijdig en onvoldoende verifieerbaar.
De rechtbank oordeelde dat er een gerechtvaardigd vermoeden bestond dat het geld afkomstig was uit een misdrijf en dat verdachte geen concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring had gegeven om dit te weerleggen. Hierdoor werd opzetwitwassen wettig en overtuigend bewezen verklaard.
De rechtbank sprak verdachte vrij van medeplegen omdat niet bewezen kon worden dat de medeverdachten wisten dat het geld afkomstig was uit een misdrijf. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 27 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest. Tevens werd €8.000 van het in beslag genomen geld verbeurd verklaard.
De rechtbank motiveerde de straf met het ontwrichtende effect van witwassen op het financieel verkeer en de openbare orde, maar koos voor een deels voorwaardelijke straf gezien de tijd die verstreken was en het ontbreken van recidive. Het vonnis werd uitgesproken op 14 juli 2023 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.