Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2023:5185

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 juli 2023
Publicatiedatum
24 juli 2023
Zaaknummer
AWB- 22_1161
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen gewijzigd UWV-besluit WIA-uitkering

Verzoekster had een WIA-uitkering aangevraagd die door het UWV aanvankelijk werd geweigerd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar en beroep wijzigde het UWV het besluit en kende een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 55,85%. Verzoekster trok daarop haar beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat het UWV gedeeltelijk aan het beroep tegemoet was gekomen en dat verzoekster recht had op vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kosten van een aangekondigd expertiserapport werden niet vergoed omdat dit niet in de procedure was ingebracht en geen rol had gespeeld bij het gewijzigde besluit.

De proceskosten werden vastgesteld op € 837,-, gelijk aan één punt volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van € 50,- door het UWV moet worden vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J. van Lochem op 24 juli 2023.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van € 837,- aan proceskosten voor beroepsmatige rechtsbijstand na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/1161

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Schutrups),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven).

Procesverloop

Met het besluit van 15 maart 2021 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag van verzoekster om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Met de beslissing op bezwaar van 25 januari 2022 (het bestreden besluit I) heeft het UWV het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
Met het besluit van 1 maart 2023 (bestreden besluit II) heeft het UWV het bestreden besluit I gewijzigd. Het UWV heeft verzoekster per 14 januari 2021 een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55,85%.
Aanvankelijk heeft verzoekster aangegeven het ook met bestreden besluit II niet eens te zijn en haar beroep te willen voortzetten. Later heeft verzoekster het beroep alsnog ingetrokken met daarbij het verzoek het UWV te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is het UWV gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Verzoekster verzoekt om vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en een expertiserapport.
2. De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat het UWV te veroordelen in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor vergoeding van de kosten van het expertiserapport ziet de rechtbank geen aanleiding. Verzoekster heeft het expertiserapport aangekondigd, maar uiteindelijk niet in de procedure ingebracht. Het expertiserapport heeft dus ook geen rol gespeeld dan wel kunnen spelen bij bestreden besluit II. Dat verzoekster gelijktijdig met het intrekken van het beroep laat weten bereid te zijn alsnog het expertiserapport in te brengen, leidt niet tot een ander oordeel.
3. De rechtbank veroordeelt het UWV in de door verzoekster gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank stelt deze kosten met toepassing van het Bpb vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
4. De rechtbank wijst erop dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot het UWV moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan op 24 juli 2023 door mr. R.J. van Lochem, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J. Kroon, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.