4.3.2De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1:
De vraag die aan de rechtbank voorligt is of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die op 11 december 2018 en 12 december 2018 in Nieuwegein heeft gepind met de weggenomen pinpas en pincode van mevrouw [benadeelde01] .
Op 11 december 2018 zijn er beelden van het pinnen met de pinpas in Nieuwegein bij de ING (pagina 142 map 3 eindproces-verbaal) waarbij de verbalisant twee vrouwen ziet, maar waar hij buiten wat kleding geen duidelijke kenmerken van het gezicht ziet. Op pagina 145 en verder zijn de beelden beschikbaar.
Van het pinnen op 12 december 2018 zijn eveneens beelden (pagina 155 map 3 eindproces-verbaal) waarbij de verbalisant twee vrouwen ziet, maar ook daar zien geen duidelijke kenmerken van het gezicht zichtbaar. Op pagina 159 e.v. zijn de beelden bijgevoegd.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de beeldkwaliteit van zowel
11 als 12 december 2018 matig is en daar geen betrouwbare herkenning op mogelijk is.
Om die reden dient vrijspraak voor feit 1 te volgen.
Feit 2:
De vraag die aan de rechtbank voorligt is of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die op 7 december 2018 in Nieuwegein zich schuldig heeft gemaakt aan twee pogingen tot diefstal door met een weggenomen pinpas (en pincode) van mevrouw [benadeelde01] te pinnen.
De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en acht daartoe het volgende redengevend.
Verdachte als dader bij een latere pintransactie:
Met de gestolen pinpas van [benadeelde01] is op diverse momenten geld gepind. Bij een transactie met de gestolen pinpas op 14 december 2018 bij Luna Clothing in Arnhem worden beelden gemaakt en aan de politie verstrekt. Op die beelden is een jonge vrouw te zien met witte lange nagels. Haar gezicht is goed in beeld. [verbalisant01] herkent verdachte, als zij wordt verhoord, als de vrouw met de witte lange nagels. Zij herkent haar aan haar gelaat, haar grote oogopslag, neus en vollere lippen.
Behalve de herkenning door [verbalisant01] is er ook nog bewijs van betrokkenheid van verdachte bij Luna Clothing. te vinden op de telefoon van [naam01] die in een ander onderzoek in beslag wordt genomen. [naam01] heeft desgevraagd aangegeven in 2019 een relatie met verdachte te hebben gehad. Op zijn telefoon worden gesprekken gevoerd tussen hem en verdachte waarbij [naam01] aan verdachte de foto van beelden van Luna Clothing meestuurt die eerder is vertoond bij meerdere opsporingsprogramma’s. [naam01] zegt daarbij tegen verdachte: “Je staat er veeeel meer op. Bij de AH En nog veel meer,” en even later “met je tante sta je er op ook nog. Staan zelfs filmpjes bij. Kan het wel doorsturen als bewijs, kan je zelf zien.”
Gelet op de betrouwbare herkenning door [verbalisant01] in combinatie met het proces-verbaal over het telefoonverkeer tussen verdachte en haar ex-partner [naam01] , waarbij [naam01] aangeeft verdachte te herkennen op de foto van Luna Clothing, is er bij de rechtbank geen twijfel dat verdachte degene is geweest die bij Luna Clothing op de beelden staat en betrokken is geweest bij de pintransactie met de pinpas van [benadeelde01] .
Onderhavig feit:
Gelet op de in het dossier beschikbare bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat er op 7 december 2018 twee maal een poging is gedaan om geld te pinnen van de rekening van [benadeelde01] . De pinster was beide keren een vrouw met zichtbaar witte lange nagels die een zwarte bolletjesmuts met witte stippen draagt. Deze bolletjesmuts werd bij Luna Clothing gedragen door een medeverdachte. Verdachte was steeds in gezelschap van een tweede dader.
Gelet op dit signalement, met name het feit dat de nagels zo opvallend zijn en zij op 14 december 2018 daaraan is herkend, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte moet zijn geweest die deze pogingen tot diefstal met dezelfde pinpas als op 14 december 2018 heeft gepleegd.
Medeplegen?
Verdachte was zowel op 14 december bij Luna Clothing als bij de twee pogingen op 7 december in gezelschap van een andere dader of andere daders. Steeds wisselt wel wie er pint, er worden mutsen verwisseld en de daders proberen door middel van gezichtsbedekking zo min mogelijk in beeld te komen. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zeer bewuste en nauwe samenwerking bij de pogingen tot diefstal. Het medeplegen kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden.
Feit 3 en 4:
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn dat verdachte is betrokken bij deze feiten. Verdachte wordt door [verbalisant01] (pagina 52a, map 4 [naam02] /babbeltruc WhatsAppfraude) herkend op beelden van de Rabobank op 21 januari 2019, maar er wordt onvoldoende onderbouwd dan wel toegelicht waarom het verdachte is. Op de beelden op van de Rabobank (pagina 63, map 4 [naam02] / babbeltruc WhatsAppfraude) wordt slechts een klein deel van het gezicht gezien. Om die reden is er onvoldoende overtuigend bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de inpas van [benadeelde02] en het pinnen van de bedragen een gestolen pinpas en pincode. Van deze feiten wordt verdachte dan ook vrijgesproken.