Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
”Ik vermoord jou”, waarop [getuige 1] vroeg:
“Waarom [verdachte] ?”en verdachte haar antwoordde:
“Gewoon en ik vermoord haar”. Toen [getuige 1] zei dat verdachte rustig moest doen, zei verdachte:
”Rustig? Wat rustig? Dan moet ze maar niet zuipen. Ik vermoord haar”. Daarop heeft [getuige 1] gevraagd of [slachtoffer] met haar mee mocht en stak zij een hand naar haar uit, maar verdachte hield [slachtoffer] tegen. [slachtoffer] gilde opnieuw om hulp van [getuige 1] . Verdachte draaide zich om en [getuige 1] schuifelde stap voor stap langzaam weg. Ze kon daarbij [slachtoffer] in de ogen blijven kijken, omdat die met haar hoofd buiten de deur hing. [getuige 1] liep richting de lift en [slachtoffer] bleef maar gillen
“Help, help, help”. Bij de lift is [getuige 1] de hoek omgegaan naar de trappen en meteen hoorde ze een knal: dat moet de voordeur van [slachtoffer] zijn geweest. [getuige 1] hoorde [slachtoffer] toen nog steeds gillen. Ze denkt omdat de slaapkamer van [slachtoffer] en verdachte meteen naast de voordeur zit en het raam van de slaapkamer openstond. Medebewoners van de tweede verdieping hebben naar haar geroepen dat zij de politie al hadden gebeld. [getuige 1] is naar hen toe gegaan en heeft daar zelf ook de politie gebeld. Terwijl zij de politie aan de telefoon had, zag zij van bovenaf dat er een man - de rechtbank begrijpt: [getuige 2] - op de deur en het raam stond te bonken van het appartement van verdachte en zijn vrouw. Ze hoorde dat hij riep dat verdachte de deur open moest doen, maar dat verdachte dat niet deed.
”Je moet dood. Ik vermoord je”en [slachtoffer] gillen: “
Nee, nee, nee”. [getuige 2] rende vervolgens van de tweede woonlaag naar de woning van verdachte en [slachtoffer] op de eerste woonlaag. Daar aangekomen zag hij door het slaapkamerraam dat [slachtoffer] op haar rug op bed lag, dat verdachte boven op haar bovenlichaam zat en met beide handen haar keel dichtkneep. [slachtoffer] spartelde tegen door met haar armen en benen hevig op en neer te bewegen. [getuige 2] sloeg meerdere keren op het raam en riep naar verdachte dat hij moest stoppen. Hierop reageerde verdachte met:
”Nee ze moet eerst dood. Ik stop niet voordat ze dood is. Ik vermoord haar. Ze moet kapot”. Verdachte bleef doorgaan met het dichtknijpen van de keel van [slachtoffer] . Ook toen [slachtoffer] niet meer bewoog, bleef verdachte doorgaan. [getuige 2] riep opnieuw dat verdachte moest stoppen en de deur moest openen. Hierop antwoordde verdachte: “
Ik laat haar niet los. Ze moet eerst dood”.
Ja, ja”en opende de voordeur.
Ik hoop dat ze de pijp uitgaat. Wegwezen met haar. Gewoon haar keel dichtknijpen. Dan is het klaar. Het gaat toch gebeuren. Als ik over twee maanden vrij kom of twee jaar dan gebeurt het toch. Dan sterft ze. Deins ik niet voor terug om haar af te maken. Het maakt mij niks uit op 65-jarige leeftijd”.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
Ik ben iemand die niet tegen onrecht kan. Stel dat het nu goed komt met [slachtoffer] , komt zij er weer mee weg en ik niet”. Op de vraag of verdachte hiermee bedoelde dat het onrechtvaardig zou zijn dat zijn vrouw zou blijven leven en hij dan toch gedetineerd zou blijven zitten, heeft verdachte verklaard dat die opmerking inderdaad zo moet worden gelezen. Deze uitlating getuigt naar het oordeel van de rechtbank van grove minachting van [slachtoffer] . Verdachte heeft daarmee kort na zijn meedogenloze daad geen enkele vorm van spijt of berouw laten zien.
7.De benadeelde partij [benadeelde]
- de kosten voor uitstel lijkbezorging € 45,79;
- de kosten voor kleding ten behoeve van de opbaring € 39,98;
- de reiskosten voor de uitvaart van moeder € 19,81;
- de reiskosten voor het ophalen van de as van moeder € 19,81.
8.De vordering tot tenuitvoerlegging
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
een gevangenisstraf van zestien jaren;