Verzoeker, werkzaam als zzp'er in de transportsector, diende een verzoek in tot schadevergoeding wegens inkomstenderving als gevolg van een strafzaak waarin hij werd vrijgesproken van een snelheidsovertreding. Hij stelde dat hij door de behandeling van de strafzaak geen opdrachten kon aannemen en vroeg een vergoeding voor gemiste werkuren.
De rechtbank stelde vast dat het verzoekschrift niet ondertekend was, maar dit werd als verschoonbaar beschouwd en verzoeker werd ontvankelijk verklaard. De rechtbank beoordeelde het verzoek inhoudelijk en concludeerde dat verzoeker onvoldoende bewijs had geleverd van het gemiddeld aantal werkuren, het uurloon en het daadwerkelijke verlies van opdrachten op de dag van de zitting.
Daarbij werd ook meegewogen dat de strafzaak slechts vijf minuten duurde, en verzoeker niet had toegelicht waarom hij daarna geen werkzaamheden kon verrichten. Gezien deze gebreken wees de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding af.