Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de toekenning van zijn WIA-uitkering en klaagde over het niet tijdig beslissen door het UWV. De rechtbank beoordeelt dat het UWV de beslistermijn van 17 weken plus een verlenging van 6 weken heeft overschreden. Eiser stelde het UWV vervolgens in gebreke, waarna het beroep werd ingesteld.
Het UWV gaf aan meer tijd nodig te hebben vanwege een tekort aan verzekeringsartsen en de noodzaak van fysieke hoorzittingen en spreekuren. De rechtbank erkent het belang van een zorgvuldige heroverweging maar stelt ook het belang van een tijdige beslissing. Daarom legt zij een termijn van vier maanden op waarbinnen het UWV een besluit moet nemen.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. De rechtbank veroordeelt het UWV ook tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig beslissen vernietigd.